Verkeerstekens – Verkeersregels – Verdrag van Wenen

Verdrag inzake verkeerstekens, Wenen, 08-11-1968

Geldend van 08-11-2008 t/m heden
(aangepaste weergave met een verwijzing naar de Nederlandse verkeersborden volgens het RVV 1990, bijlage 1. Voor de originele tekst gaat u naar:  wetten.overheid.nl  )

In “Verdrag inzake verkeerstekens, Wenen, 08-11-1968” vindt u een volledige aangepaste weergave van het verdrag van Wenen 1968. Voor uitgelichte onderdelen kunt u ook direct naar:

Hoofdstuk 1 – Algemene bepalingen verdrag van Wenen

Begripsomschrijving
Voor de toepassing van dit Verdrag hebben de onderstaande uitdrukkingen de daaraan in dit artikel toegekende betekenis:
Bebouwde kom: een gebied dat op de plaatsen waar men dit binnen- of uitrijdt door speciale verkeerstekens als zodanig wordt aangeduid, dan wel een gebied dat in de nationale wetgeving op andere wijze is omschreven.

Weg: het gehele oppervlak van elke weg of straat die voor het openbaar verkeer openstaat.

Rijbaan: dat deel van een weg dat gewoonlijk voor het verkeer met voertuigen wordt gebruikt; een weg kan een aantal rijbanen bevatten die duidelijk zichtbaar van elkaar gescheiden zijn, bijvoorbeeld door een scheidende strook of een verschil in niveau.

Rijstrook: elk van de delen waarin de rijbaan in de lengterichting kan worden verdeeld, al of niet aangegeven door strepen op het wegdek in de lengterichting, welke rijstrook voldoende breed moet zijn voor één rij rijdende motorvoertuigen, anders dan motorfietsen.

Fietsstrook: een deel van de rijbaan dat voor fietsen bestemd is. Een fietsstrook wordt van de rest van de rijbaan onderscheiden door op het wegdek in de lengterichting aangebrachte tekens.

Fietspad: een aparte weg of deel van een weg bestemd voor fietsen en die of dat als zodanig wordt aangegeven. Een fietspad wordt van andere wegen of andere gedeelten van dezelfde weg gescheiden door fysieke maatregelen.

Kruising: elke gelijkvloerse kruising, samenvoeging of splitsing van wegen, met inbegrip van de open stukken die door dergelijke kruisingen, samenvoegingen of splitsingen zijn ontstaan.

Overweg: gelijkvloerse kruising tussen een weg en een spoor- of tramweg met vrije baan.

Autosnelweg: een weg die speciaal is ontworpen en aangelegd voor verkeer met motorvoertuigen en waarop aanliggende percelen geen uitweg hebben en die:

  • behalve op bepaalde plaatsen of tijdelijk, is voorzien van gescheiden rijbanen voor beide verkeersrichtingen, welke rijbanen van elkaar gescheiden zijn hetzij door een scheidende strook die niet voor het verkeer is bestemd, hetzij, bij uitzondering, op andere wijze;
  • geen andere weg, spoor- of tramweg of voetpad op hetzelfde niveau kruist; en
  • door speciale verkeerstekens als autosnelweg is aangeduid.

Stilstaan en parkeren
Een voertuig wordt geacht:
Stilstaand te zijn wanneer het niet in beweging is gedurende de tijd die nodig is om personen te laten in- of uitstappen of om goederen in of uit te laden.
Geparkeerd te zijn wanneer het niet in beweging is om elke andere reden dan de noodzaak een conflictsituatie met een weggebruiker te vermijden of een botsing met een obstakel te vermijden, of om aan verkeersvoorschriften te voldoen, en wanneer de tijd gedurende welke het voertuig niet in beweging is niet is beperkt tot de tijd, nodig om personen te laten in- of uitstappen of om goederen in of uit te laden.

Het staat de Verdragsluitende Partijen echter vrij voertuigen die niet in beweging zijn als „stilstaand” te beschouwen gedurende een tijdsbestek dat de door de nationale wetgeving vastgestelde duur niet te boven gaat en niet in beweging zijnde voertuigen als „geparkeerd” te beschouwen wanneer deze voertuigen niet in beweging zijn zoals bij stilstaan en parkeren bedoeld, en dit het geval is gedurende een tijdsbestek dat de door de nationale wetgeving vastgestelde duur wel te boven gaat.

Fiets: elk voertuig met ten minste twee wielen, dat uitsluitend wordt voortbewogen door de spierkracht van de berijders, in het bijzonder door middel van pedalen of van met de hand bewogen hefbomen.

Bromfiets: elk voertuig met twee of drie wielen, dat is uitgerust met een verbrandingsmotor met een maximale cilinderinhoud van 50 cm3 en met een door de constructie bepaalde maximumsnelheid van ten hoogste 50 km per uur. Het staat de Verdragsluitende Partijen echter vrij krachtens hun nationale wetgeving niet als bromfietsen te beschouwen voertuigen die wat het gebruik betreft niet de eigenschappen van een fiets vertonen, in het bijzonder de eigenschap dat zij door pedalen kunnen worden voortbewogen, of waarvan de door de constructie bepaalde maximumsnelheid, het massa of bepaalde eigenschappen van de motor bepaalde grenzen overschrijden. Niets in deze omschrijving mag zó worden uitgelegd dat dit de Verdragsluitende Partijen zou beletten bromfietsen op dezelfde wijze te behandelen als fietsen wat betreft de toepassing van de bepalingen van hun nationale verkeerswetgeving.

Motorfiets: elk voertuig op twee wielen, met of zonder zijspanwagen, dat is voorzien van een voortstuwende motor. De Verdragsluitende Partijen kunnen in hun nationale wetgeving ook driewielige voertuigen als motorfietsen aanmerken, mits het ledig massa daarvan maximaal 400 kg bedraagt. De uitdrukking „motorfiets” heeft geen betrekking op bromfietsen hoewel de Verdragsluitende Partijen, mits zij hiertoe een verklaring afleggen overeenkomstig artikel 46, tweede lid, van dit Verdrag, voor de toepassing van dit Verdrag bromfietsen als motorfietsen kunnen beschouwen.

Gemotoriseerd voertuig: elk zichzelf over de weg voortstuwend voertuig anders dan een bromfiets, in de gebieden van de Verdragsluitende Partijen die bromfietsen niet als motorfietsen beschouwen, en anders dan een voertuig dat op rails wordt voortbewogen.

Motorvoertuig: elk gemotoriseerd voertuig dat gewoonlijk wordt gebruikt voor het vervoer van personen of goederen langs de weg, of om voertuigen, die worden gebruikt voor het vervoer van personen of goederen, langs de weg voort te trekken. Deze uitdrukking omvat mede trolleybussen, dat wil zeggen voertuigen die in verbinding staan met een elektrische geleiding, en niet op rails rijden. Zij heeft geen betrekking op voertuigen zoals landbouwtrekkers, die slechts bij uitzondering worden gebruikt om personen of goederen langs de weg te vervoeren, of om voertuigen, die personen of goederen vervoeren, langs de weg te trekken;

Aanhangwagen: elk voertuig dat is bestemd om door een gemotoriseerd voertuig te worden getrokken; de uitdrukking omvat tevens opleggers.

Oplegger: elke aanhangwagen die is bestemd om dusdanig aan een motorvoertuig te worden gekoppeld dat een deel ervan op het motorvoertuig rust en dat een aanzienlijk deel van het massa van de oplegger en van de lading door het motorvoertuig wordt gedragen.

Bestuurder: degene die een motorvoertuig of enig ander voertuig bestuurt (met inbegrip van een fiets), of die vee, hetzij enkele dieren hetzij in kudden, of trek-, last- of rijdieren op de weg onder zijn hoede heeft.

Maximum toegestaan massa: het maximumgewicht van het voertuig in beladen toestand, toegelaten door het bevoegde gezag van de Staat waar het voertuig is ingeschreven.

Totaalgewicht: het werkelijke massa van het voertuig, met inbegrip van lading, bemanning en passagiers.

Rijrichting en „overeenkomstig de rijrichting”: de rechterzijde indien, ingevolge de nationale wetgeving, de bestuurder een tegemoetkomend voertuig aan zijn linkerzijde moet laten voorbijgaan; in het omgekeerde geval betekenen deze uitdrukkingen: de linkerzijde.

Voorrang
Onder de eis dat de bestuurder andere voertuigen „voorrang” moet verlenen wordt verstaan dat hij niet mag doorrijden of een manoeuvre mag voortzetten, indien zulks de kans met zich zou brengen, dat bestuurders van andere voertuigen gedwongen worden de richting of de snelheid van hun voertuig plotseling te wijzigen.

Verkeersborden – Verdrag van Wenen

(de nummering zoals gehanteerd in het verdrag van Wenen, zijn in dit artikel grotendeels vervangen door de in Nederland gehanteerde verkeersborden. Daar waar de borden, zoals bedoeld in het verdrag van Wenen binnen het artikel zijn opgenomen,  zijn deze in zwart-wit weergegeven)

Verkeerstekens bestaan achtereenvolgens uit

  • Gevaarstekens
  • Voorrangstekens
  • Verbodstekens of beperkende tekens
  • Gebodstekens
  • Tekens die een bijzonder voorschrift inhouden
  • Tekens betreffende informatie, voorzieningen of diensten
  • Tekens die een richting aangeven of een bebakening of aanduiding inhouden
  • Onderborden

Verplichtingen van de Verdragsluitende partijen
De Partijen bij dit Verdrag aanvaarden het in dit Verdrag beschreven stelsel van verkeerstekens en -symbolen, alsmede van op het wegdek aangebrachte verkeerstekens, en verbinden zich dit zo spoedig mogelijk over te nemen.
Hiertoe verbinden de Verdragsluitende Partijen zich, onder voorbehoud van de tijdslimieten, aangegeven in het tweede en derde lid van dit artikel, wanneer dit Verdrag een verkeersteken, symbool of teken op het wegdek voorschrijft om een bepaalde regel of een bepaalde mededeling aan de weggebruikers kenbaar te maken, geen ander teken, symbool of teken op het wegdek te gebruiken om die regel of mededeling kenbaar te maken.

Staat het de Verdragsluitende Partijen vrij wanneer dit Verdrag geen verkeersteken, symbool of teken op het wegdek voorschrijft om een bepaalde regel of een bepaalde mededeling aan weggebruikers kenbaar te maken, voor deze doeleinden elk teken, symbool of teken op het wegdek te gebruiken dat zij willen, mits een dergelijk teken, symbool of teken op het wegdek in dit Verdrag geen andere betekenis is toegekend, en mits het overeenkomt met het door het Verdrag voorgeschreven stelsel.

Ten einde de technieken voor regeling van het verkeer te verbeteren, en met het oog op het nut van proefnemingen alvorens wijzigingen op dit Verdrag voor te stellen, staat het de Verdragsluitende Partijen vrij, tijdelijk en voor experimentele doeleinden, op bepaalde weggedeelten af te wijken van de bepalingen van dit Verdrag.

De Verdragsluitende Partijen verbinden zich, uiterlijk vier jaar na de datum van inwerkingtreding van dit Verdrag in hun grondgebieden, alle verkeerstekens, symbolen, installaties of tekens op het wegdek te vervangen of aan te vullen, die, hoewel zij de kenmerken bezitten van een verkeersteken, symbool, installatie of teken op het wegdek behorend tot het door het Verdrag voorgeschreven stelsel, in het gebruik een andere betekenis hebben dan die welke daaraan door dit Verdrag wordt toegekend.

De Verdragsluitende Partijen verbinden zich ertoe, binnen vijftien jaar na de datum van inwerkingtreding van dit Verdrag in hun grondgebieden, alle verkeerstekens- symbolen, installaties of tekens op het wegdek te vervangen, die niet overeenkomen met het door het Verdrag voorgeschreven stelsel. Ten einde weggebruikers vertrouwd te maken met het in dit Verdrag voorgeschreven stelsel, kunnen gedurende deze periode vroegere verkeerstekens en -symbolen nog worden gebruikt naast die welke in dit Verdrag zijn voorgeschreven.

Niets in dit Verdrag mag zo worden uitgelegd dat dit van de Verdragsluitende Partijen zou eisen dat zij alle typen verkeerstekens en tekens op het wegdek die in dit Verdrag zijn voorgeschreven zouden moeten overnemen. De Verdragsluitende Partijen dienen integendeel het aantal typen verkeerstekens of tekens op het wegdek dat zij aannemen, tot het hoogst noodzakelijke te beperken.

De Verdragsluitende Partijen verplichten zich ervoor te zorgen dat het verboden is
Aan een verkeersteken, aan de paal of standaard daarvan, of aan andere installaties waarmee het verkeer geregeld wordt, wat dan ook te bevestigen dat niets te maken heeft met het doel van zo’n teken of installatie; indien de Verdragsluitende Partijen of onderdelen daarvan echter een organisatie zonder winstoogmerk machtigen informatieve tekens te installeren, kunnen zij deze organisatie ook toestaan het eigen embleem op het teken of de paal of standaard aan te brengen, mits dit de begrijpelijkheid van het teken niet vermindert.

Borden, mededelingen, aanduidingen of installaties aan te brengen, die verward zouden kunnen worden met verkeerstekens of andere verkeersregelende apparaten, deze minder goed zichtbaar of minder doeltreffend zouden maken, of weggebruikers zouden kunnen verblinden of hun aandacht zouden kunnen afleiden op een wijze die de verkeersveiligheid in gevaar brengt.

HOOFDSTUK II. VERKEERSTEKENS
Algemene informatie en plaatsing verkeerstekens

Het in dit Verdrag voorgeschreven stelsel onderscheidt de volgende categorieën verkeerstekens:

Gevaarstekens
Deze tekens zijn bedoeld om weggebruikers te waarschuwen voor een gevaar op de weg en om hun tevens de aard van dit gevaar kenbaar te maken.

Tekens die een bepaald voorschrift inhouden
Deze tekens hebben ten doel aan weggebruikers kenbaar te maken dat er bepaalde verplichtingen, beperkingen of verboden zijn, waaraan zij zich dienen te houden; deze zijn onderverdeeld in:

  • Voorrangstekens
  • Verbodstekens of beperkende tekens
  • Gebodstekens

Tekens die een bijzonder voorschrift inhouden
Informatieve tekens: deze tekens hebben ten doel weggebruikers aanwijzingen te geven of hun andere inlichtingen te verschaffen die van nut kunnen zijn; deze tekens zijn onderverdeeld in:
Tekens betreffende informatie, voorzieningen of diensten.
Tekens die een richting aangeven of een bebakening of aanduiding inhouden.

  • Vooraanduidingstekens.
  • Richtingtekens.
  • Tekens ter identificatie van een weg.
  • Tekens ter identificatie van een plaats of plek.
  • Bevestigingstekens.
  • Tekens die een aanduiding inhouden.

Onderborden
Wanneer dit Verdrag een keuze toestaat tussen verschillende tekens of verschillende symbolen,
verbinden de Verdragsluitende Partijen zich ertoe slechts één van deze tekens of symbolen voor hun gehele gebied of gebieden over te nemen en dienen de Verdragsluitende Partijen ernaar te streven door middel van regionale overeenkomsten tot dezelfde keuze te komen. De bepalingen van artikel 3, derde lid, van dit Verdrag van toepassing op alle tekens en symbolen van de typen die niet zijn gekozen.

Plaatsing tekens
Tekens dienen zodanig te worden geplaatst dat de bestuurders voor wie ze zijn bedoeld ze gemakkelijk en tijdig kunnen herkennen. Zij dienen als regel te worden geplaatst aan die zijde van de weg die overeenkomt met de rijrichting; ze kunnen echter boven de rijbaan worden geplaatst of herhaald. Elk teken dat is geplaatst aan de zijde van de weg die overeenkomt met de rijrichting, dient boven, of aan de andere zijde van de rijbaan te worden herhaald, indien de plaatselijke omstandigheden van dien aard zijn, dat de tekens niet zouden kunnen worden gezien door de bestuurders voor wie ze zijn bedoeld.

Alle tekens zijn over de hele breedte van de rijbaan die voor het verkeer openstaat van toepassing op de bestuurders voor wie ze bedoeld zijn. Het is echter ook toegestaan dat tekens alleen van toepassing zijn voor één of meer rijstroken, wanneer de rijbaan door in de lengterichting op het wegdek aangebrachte tekens in rijstroken is verdeeld.
In dit geval wordt een van de drie volgende bebakenings-mogelijkheden toegepast:

  1. Het teken, indien nodig met toevoeging van een verticale pijl, wordt boven de desbetreffende rijstrook geplaatst, of
  2. Het teken wordt geplaatst aan de rand van de rijbaan wanneer zonder twijfel uit tekens op het wegdek blijkt dat het desbetreffende teken alleen van toepassing is op de rijstrook gelegen aan de rand van de rijbaan die overeenkomt met de rijrichting en dat het enige doel van dit teken is een plaatselijk voorschrift dat reeds door tekens op het wegdek wordt aangegeven, te bevestigen, of
  3. De tekens E1 of E2 of de tekens G,11 en G,12 worden aan de rand van de rijbaan geplaatst.

E1

E2

G1

G2

 

Indien het bevoegde gezag van mening is dat een teken niet doeltreffend zou zijn indien het in de zijberm van een weg met gescheiden rijbanen zou worden geplaatst, is het geoorloofd het op de scheidende strook te plaatsen en in dit geval behoeft het niet in de zijberm van de weg te worden herhaald.

Het verdient aanbeveling dat de nationale wetgeving bepaalt:

  1. Dat tekens zodanig worden geplaatst dat zij geen belemmering vormen voor het verkeer van voertuigen op de rijbaan, en, indien zij in de zijbermen zijn geplaatst, dat zij de voetgangers zo min mogelijk hinderen. Het verschil in hoogte tussen de rijbaan aan de zijde waar het teken is geplaatst en de onderste rand van het teken, dient voor alle tekens van dezelfde categorie of dezelfde route zoveel mogelijk gelijk te zijn.
  2. Dat de borden van zodanige afmeting zijn dat het teken op een afstand gemakkelijk zichtbaar is en gemakkelijk kan worden begrepen door degene die het naderen.  Deze afmetingen dienen te zijn aangepast aan de gebruikelijke snelheid van voertuigen.
  3. Dat de afmetingen van gevaarstekens en van tekens die een bepaald voorschrift inhouden (behoudens tekens die een bijzonder voorschrift inhouden) op het grondgebied van elke Verdragsluitende Partij genormaliseerd zijn. Over het algemeen dienen er vier formaten te zijn voor elk type teken: klein, normaal, groot en zeer groot. Kleine tekens dienen te worden gebruikt overal waar de omstandigheden het gebruik van de normale tekens onmogelijk maken, of waar het verkeer alleen langzaam kan rijden; ze mogen ook worden gebruikt om een voorafgaand teken te herhalen. Grote tekens dienen op zeer brede wegen waarop met hoge snelheden wordt gereden te worden gebruikt. Zeer grote tekens dienen te worden gebruikt op wegen waarop met zeer hoge snelheden wordt gereden, zoals autosnelwegen.

Zichtbaarheid tekens
Het verdient aanbeveling dat de nationale wetgeving bepaalt dat, teneinde ze ’s nachts beter zichtbaar en leesbaar te maken, verkeerstekens langs de weg, met name gevaarstekens, tekens die een bepaald voorschrift inhouden en richtingstekens verlicht zijn dan wel retroreflecterend zijn, mits dit er niet toe leidt dat weggebruikers erdoor worden verblind.

De Verdragsluitende Partijen mogen ook het gebruik van fluorescerende materialen toestaan; in dat geval moeten zij aangeven voor welke tekens deze materialen mogen worden gebruikt.

In de nationale wetgeving moeten regels worden opgesteld voor het gebruik van verlichte, retroreflecterende en fluorescerende tekens. De nationale wetgeving moet ook aangeven in welke situaties elke categorie retroreflecterende materialen moet worden gebruikt.

Donkere of lichte grafische elementen van verschillende kleuren in de tekens kunnen worden onderscheiden door middel van respectievelijk lichte of donkere smalle contrasterende strepen.

Niets in dit Verdrag verbiedt het gebruik van tekens die bedoeld zijn om informatie, waarschuwingen of voorschriften te geven, en die uitsluitend van toepassing zijn op bepaalde tijden of op bepaalde dagen, en die alleen zichtbaar zijn wanneer hetgeen zij kenbaar maken ter zake dienend is.

Internationale eenvormigheid
Ten einde het begrijpen van tekens internationaal te vergemakkelijken, is het stelsel van verkeerstekens dat in dit Verdrag is voorgeschreven, gebaseerd op het gebruik van vormen en kleuren die kenmerkend zijn voor elke categorie tekens en, waar mogelijk, op het gebruik van beeldsymbolen in plaats van teksten. In die gevallen waarin de Verdragsluitende Partijen het noodzakelijk achten de voorgeschreven symbolen te wijzigen, mogen deze wijzigingen hun essentiële kenmerken niet veranderen.

In gevallen waarin installaties voor variabele verkeerstekens worden gebruikt, moeten de hierop weergegeven teksten en symbolen eveneens overeenkomen met het in dit Verdrag voorgeschreven stelsel van verkeerstekens. Indien echter de technische eisen van een bepaald type systeem dit rechtvaardigen, met name om een goede leesbaarheid te waarborgen, en met dien verstande dat geen verkeerde interpretatie mogelijk is, mogen de voorgeschreven donker gekleurde tekens of symbolen in een lichte kleur worden weergegeven; lichte achtergronden worden dan vervangen door donkere achtergronden. De rode kleur van een symbool van een teken en de rand daarvan mogen niet worden gewijzigd.

Verdragsluitende Partijen die tekens of symbolen wensen aan te nemen die niet zijn voorgeschreven in dit Verdrag, dienen ernaar te streven regionaal tot overeenstemming te komen met betrekking tot zo’n nieuw teken of symbool.
Niets in dit Verdrag verbiedt de toevoeging, hoofdzakelijk teneinde het begrijpen van tekens te vergemakkelijken, van een opschrift op een rechthoekig bord onder het teken, of op een rechthoekig bord waarop tevens het teken is aangebracht; een dergelijk opschrift mag ook op het teken zelf worden geplaatst, indien zulks het begrijpen van het teken niet moeilijker maakt voor bestuurders die het opschrift niet kunnen begrijpen.

In gevallen waarin het bevoegde gezag het raadzaam acht de betekenis van een teken of symbool te verduidelijken of de toepassing van een teken te beperken tot bepaalde tijdvakken, kan dit worden gedaan door middel van een opschrift op het teken. Indien de toepassing van tekens die een bepaald voorschrift inhouden, moet worden beperkt tot bepaalde weggebruikers of indien bepaalde weggebruikers van dit voorschrift worden uitgezonderd, geschiedt dit door middel van onderborden.

De opschriften dienen in de landstaal of in één of meer van de landstalen te zijn, en tevens, indien de betrokken Verdragsluitende Partij zulks raadzaam acht, in andere talen, met name de officiële talen van de Verenigde Naties.

Gevaarstekens

Het aantal gevaarstekens dient niet onnodig te worden vergroot, maar dergelijke tekens dienen te worden geplaatst om voor mogelijke gevaren op de weg te waarschuwen daar, waar deze voor een bestuurder die met de nodige voorzichtigheid rijdt, moeilijk tijdig zijn waar te nemen.

Afstand gevaarstekens
Gevaarstekens dienen op zodanige afstand van het gevaarspunt te worden geplaatst, dat zij overdag en ’s nachts zo doeltreffend mogelijk zijn, met inachtneming van de toestand van de weg en de verkeersomstandigheden, met name de normale snelheid van de voertuigen en de afstand waarop het teken zichtbaar is.

De afstand tussen het teken en het begin van een gevaarlijk weggedeelte kan kenbaar worden gemaakt op een onderbord, geplaatst overeenkomstig de bepalingen van dat Deel; deze informatie dient te worden verschaft wanneer de afstand tussen het teken en het begin van het gevaarlijke weggedeelte niet door bestuurders kan worden beoordeeld en afwijkt van de afstand die zij gewoonlijk kunnen verwachten.

Herhaling gevaarstekens
Gevaarstekens kunnen worden herhaald, met name op autosnelwegen en op wegen die als autosnelwegen worden behandeld. Wanneer zij worden herhaald, dient de afstand tussen het teken en het begin van het gevaarlijke weggedeelte te worden aangegeven overeenkomstig de bepalingen van het vierde lid van dit artikel. Ten aanzien van gevaarstekens die waarschuwen voor beweegbare bruggen en voor overwegen, staat het de Verdrag-sluitende Partijen echter vrij de volgende bepalingen toe te passen:
Een rechthoekig bord met de langste zijde verticaal en voorzien van drie schuine rode banen op een wit of geel vlak, kan worden geplaatst onder gevaarstekens met een van de symbolen J15, J10, of J11 mits aanvullende tekens in de vorm van borden met dezelfde vorm met respectievelijk een of twee schuine rode banen op een wit of geel vlak zijn opgesteld op ongeveer eenderde en tweederde van de afstand tussen het teken en de spoorlijn. Deze tekens mogen worden herhaald aan de tegenovergestelde zijde van de rijbaan.

J15

J10

J11

Indien een gevaarsteken wordt gebruikt om te waarschuwen voor een gevaar op een weggedeelte van een bepaalde lengte (bijvoorbeeld voor een reeks gevaarlijke bochten of een deel van de rijbaan dat in slechte toestand verkeert), en indien het wenselijk is de lengte van dat gedeelte aan te geven, dient zulks te worden gedaan op een onderbord.

Tekens die een bepaald voorschrift inhouden
Voorrangstekens

B1

B2

B6

B7

De tekens om weggebruikers van de bijzondere voorrangsregels bij kruisingen in kennis te stellen zijn tekens B1, B2, B6 en B7. De tekens om aan weggebruikers een voorrangsregeling op smalle weggedeelten kenbaar te maken zijn de tekens F5 en F6.

F5

F6


Teken B6

B6

VOORRANG VERLENEN wordt gebruikt om bestuurders ervan in kennis te stellen dat zij, op de kruising waar dit teken is geplaatst, voorrang moeten verlenen aan voertuigen op de weg die zij naderen.

Teken B7

B7

STOP wordt gebruikt om aan bestuurders kenbaar te maken dat zij, bij de kruising waar het teken is geplaatst, dienen te stoppen alvorens zich op die kruising te begeven en dat zij voorrang dienen te verlenen aan voertuigen op de weg die zij naderen.

Teken B6 of B7
Mag op een andere plaats dan bij een kruising worden geplaatst, indien het bevoegde gezag dit noodzakelijk acht. Tekens B6 en B7 dienen vlak voor kruisingen te worden geplaatst, indien mogelijk op één lijn met het punt waar voertuigen dienen te stoppen of waar zij niet voorbij mogen rijden wanneer zij voorrang moeten verlenen.
Voor het geven van een vóórwaarschuwingsteken voor teken B6 wordt het zelfde teken gebruikt, voorzien van een onderbord.
Voor het geven van een vóórwaarschuwingsteken voor teken B7, wordt teken B7 gebruikt, voorzien van een onderbord met het ,STOP’-symbool en een getal dat de afstand tot teken B7 aangeeft.

Teken B1

B1

VOORRANGSWEG dient te worden gebruikt om aan gebruikers van een weg kenbaar te maken dat, op kruisingen van deze weg met andere wegen, de bestuurders van voertuigen die op die andere wegen rijden of er vandaan komen, voorrang moeten verlenen aan de voertuigen die op deze weg rijden. Dit teken kan aan het begin van de weg worden geplaatst en na elke kruising worden herhaald; het kan ook vóór of bij de kruising worden geplaatst.

B2

Wanneer teken B1 op een weg is geplaatst, dient teken B2 EINDE VOORRANGSWEG te worden geplaatst bij het naderen van het punt waar de voorrangsweg ophoudt voorrang boven andere wegen te hebben. Teken B2 kan enige malen worden herhaald vóór het punt waar de voorrang eindigt; het teken of de tekens die voor dit punt zijn geplaatst, worden dan voorzien van een onderbord.

B3

B4

B5

Indien op een weg voor een kruising wordt gewaarschuwd door middel van een gevaarsteken dat een van de symbolen B3, B4 of B5 bevat, of indien de weg bij die kruising een voorrangsweg is en als zodanig is aangeduid door tekens B1, dient op alle andere wegen bij die kruising een teken B6 of B7 te worden geplaatst; het plaatsen van tekens B6 of B7 is echter niet verplicht op wegen zoals paden of niet-verharde wegen, waar bestuurders bij kruisingen ook voorrang dienen te verlenen wanneer een dergelijk teken ontbreekt. Een teken B7 dient uitsluitend te worden geplaatst indien het bevoegde gezag het raadzaam acht van bestuurders te eisen dat zij stoppen, met name uit hoofde van slecht zicht voor bestuurders op de weggedeelten aan beide zijden van de kruising die zij naderen.

Verbodstekens of beperkende tekens

C – Geslotenverklaring
Beschrijft de verbodstekens en beperkende tekens en geeft hun betekenis weer. Het beschrijft tevens de tekens die het einde van deze verboden en beperkingen, of van een van deze, aanduiden.

Gebodstekens

D – Rijrichting
Beschrijft de gebodstekens en geeft hun betekenis weer.

Bepalingen die op alle tekens van toepassing zijn
Verbods- en gebodstekens en beperkende tekens dienen te worden geplaatst in de onmiddellijke nabijheid van het punt waar het gebod, de beperking of het verbod begint en kunnen worden herhaald indien het bevoegde gezag zulks noodzakelijk acht. Indien het bevoegde gezag het raadzaam acht, uit hoofde van zichtbaarheid of om weggebruikers van te voren te waarschuwen, kunnen deze tekens evenwel op een passende afstand worden geplaatst vóór het punt waar het gebod, de beperking of het verbod van toepassing is. Onder de tekens die vóór het punt zijn geplaatst waar het gebod, de beperking of het verbod van toepassing is, wordt een onderbord geplaatst.

Tekens die een bepaald voorschrift inhouden en die op één lijn zijn geplaatst met het teken dat het begin van een bebouwde kom vermeldt, of kort daar achter, geven aan dat het voorschrift van toepassing is binnen de gehele bebouwde kom, tenzij door middel van andere tekens op bepaalde gedeelten binnen de bebouwde kom een ander voorschrift is aangegeven.

Verbodstekens of beperkende tekens zijn van toepassing vanaf de plaats waar zij zijn geplaatst tot aan het punt waar een teken staat dat het verbod of de beperking opheft, of anders tot aan de volgende kruising. Indien het verbod of de beperking van toepassing moet blijven na de kruising, wordt het teken herhaald in overeenstemming met de bepalingen in de nationale wetgeving.

Tekens die van toepassing zijn op alle wegen in een bepaalde zone (zonale geldigheid) dienen te worden geplaatst op alle wegen die tot de desbetreffende zone toegang geven. De zone dient bij voorkeur alleen wegen te omvatten die soortgelijke eigenschappen hebben.

Tekens die het einde van een zone aangeven, dienen te worden geplaatst op alle wegen die kunnen worden gebruikt om de zone te verlaten.

Tekens die een bijzonder voorschrift inhouden

H1

H2

Tekens H1 en H2
wijzen de weggebruikers op het feit dat de algemene bepalingen die op het grondgebied van de Staat het verkeer in de bebouwde kom regelen, van toepassing zijn vanaf deze tekens, behoudens afwijkende voorschriften, aangeduid door andere tekens op bepaalde weggedeelten in de bebouwde kom. Teken B2 wordt echter altijd geplaatst op een voorrangsweg die wordt aangegeven door middel van teken B1 wanneer deze weg binnen de bebouwde kom ophoudt een voorrangsweg te zijn.

Teken L13

Moet worden gebruikt bij tunnels van 1000 m of meer en in de bij nationale wetgeving bepaalde gevallen. Bij tunnels van 1000 m of meer moet de lengte worden vermeld ofwel in het onderste gedeelte van het teken ofwel op een onderbord. De naam van de tunnel mag worden vermeld.

Teken L2

Wordt geplaatst bij voetgangersoversteekplaatsen indien het bevoegde gezag zulks raadzaam acht.

De tekens die een bijzonder voorschrift inhouden worden alleen geplaatst op plaatsen waar het bevoegde gezag dit noodzakelijk acht. Deze tekens mogen worden herhaald; door middel van een onderbord mag de afstand tussen het teken en het aangegeven punt worden vermeld; deze afstand mag ook op het onderste gedeelte van het teken zelf worden vermeld.

Tekens betreffende informatie, voorzieningen of diensten

Opschrift informatieborden
Het opschrift op de informatieve tekens/toeristische informatieborden dienen in landen die geen Latijnse letters gebruiken, zowel in de landstaal te zijn aangebracht als met Latijnse letters te zijn herschreven op een wijze die de uitspraak in de landstaal zo dicht mogelijk benadert. In landen waar geen Latijnse letters worden gebruikt, mogen de woorden, die met Latijnse letters zijn geschreven ofwel op het zelfde teken worden aangebracht als de woorden in de landstaal, of op een herhalingsteken. Een teken mag geen opschriften bevatten in meer dan twee talen.

Vooraanduidingstekens
Vooraanduidingstekens dienen op zodanige afstand vóór de kruising te worden geplaatst dat hun doeltreffendheid overdag en ’s nachts zo groot mogelijk is, met inachtneming van de toestand van de weg en de verkeersomstandigheden, met name van de gebruikelijke snelheid van de voertuigen en van de afstand waarop het teken zichtbaar is; deze afstand hoeft niet groter te zijn dan 50 m binnen de bebouwde kom, maar mag niet minder zijn dan 500 m op autosnelwegen en op andere wegen met snelverkeer. De tekens kunnen worden herhaald. Een onderbord kan de afstand aangeven tussen het teken en de kruising; deze afstand kan ook op het onderste deel van het teken zelf worden aangegeven.

Tekens die een richting aangeven of een bebakening of aanduiding inhouden

Richtingtekens
Eén richtingteken mag de namen van verschillende plaatsen vermelden; de namen dienen dan op het bord onder elkaar te staan. De letters die voor één plaatsnaam zijn gebruikt mogen alleen groter zijn dan die voor de andere, indien de betrokken stad de grootste is.
Wanneer afstanden zijn aangegeven, dienen de desbetreffende cijfers op één lijn te zijn geplaatst met de plaatsnaam. Op pijlvormige richtingborden dienen deze cijfers tussen de plaatsnaam en de punt van de pijl te worden geplaatst; op rechthoekige borden dienen zij achter de plaatsnaam te worden geplaatst.

Tekens ter identificatie van een weg
De tekens die worden gebruikt om wegen te identificeren, hetzij door het aangeven van hun nummer, samengesteld uit cijfers, uit letters of uit een combinatie van cijfers en letters, hetzij door het aangeven van hun naam, dienen te bestaan uit dat nummer of die naam gevat in een rechthoek of een schild. Verdragsluitende Partijen die een wegenclassificatiestelsel hebben, kunnen de rechthoek echter vervangen door het symbool van hun wegenclassificatie.

Tekens ter identificatie van een plaats of plek
De tekens die worden gebruikt ter identificatie van een plaats of plek kunnen worden gebruikt om de grens tussen twee landen, of de grens tussen twee bestuurlijke onderdelen van hetzelfde land, of de naam van een rivier, een bergpas, een mooi plekje, enz. aan te duiden. Deze tekens dienen op opvallende wijze te verschillen van de borden uit bijlage 1 van het RVV 1990.

Bevestigingtekens
Bevestigingstekens kunnen worden gebruikt om de richting van een weg te bevestigen, indien het bevoegde gezag zulks noodzakelijk acht, bijvoorbeeld waar de weg een grote bebouwde kom verlaat. Deze tekens dienen de namen van één of meer plaatsen te vermelden. Wanneer de afstanden worden aangegeven, dienen de desbetreffende cijfers achter de plaatsnaam te worden geplaatst.

Bepalingen die algemeen op informatieve tekens van toepassing zijn
De informatieve tekens dienen te worden geplaatst waar het bevoegde gezag zulks raadzaam acht. Andere informatieve tekens dienen uitsluitend te worden geplaatst waar het bevoegde gezag zulks van wezenlijk belang acht.

Tekens betreffende bepaalde voorzieningen, dienen uitsluitend te worden geplaatst op wegen waarop de voorzieningen voor reparaties in noodgevallen, benzineverkoop, onderdak en het verkrijgen van verfrissingen en maaltijden zeldzaam zijn.

Informatieve tekens kunnen worden herhaald. Een onderbord kan de afstand aangeven tussen het teken en de plaats waarop het teken betrekking heeft; deze afstand kan ook worden aangegeven op het onderste deel van het teken zelf.

HOOFDSTUK III – Verkeerslichten

Lichten voor het verkeer met voertuigen
De enige lichten die mogen worden gebruikt als lichten om het verkeer met voertuigen te regelen, met uitzondering van die welke uitsluitend zijn bestemd voor voertuigen ten dienste van het openbaar vervoer, zijn de volgende met de hieronder aangegeven betekenis:

Niet knipperende lichten

Groen
Een groen licht betekent dat het verkeer mag doorrijden; een groen licht voor de regeling van het verkeer bij een kruising houdt echter niet in dat bestuurders mogen doorrijden indien het verkeer, in de richting waarin zij willen doorrijden, zodanig is vastgelopen, dat zij, indien zij zich toch op de kruising zouden begeven, deze waarschijnlijk nog niet zouden hebben verlaten als de lichten verspringen.

Rood
Een rood licht betekent dat het verkeer niet mag doorrijden; voertuigen mogen de stopstreep niet overschrijden of mogen, indien er geen stopstreep is, niet verder rijden dan tot het verkeerslicht, of het verkeer mag zich, indien het verkeerslicht in het midden of aan de overkant van een kruising is geplaatst, niet op die kruising begeven, noch op een voetgangersoversteekplaats bij die kruising.

Amber – Oranje
Een amber licht, dat hetzij alleen, hetzij tegelijk met het rode licht dient aan te gaan; wanneer het alleen aangaat betekent dit dat geen enkel voertuig de stopstreep of het verkeerslicht meer mag voorbijrijden, tenzij het de stopstreep of het verkeerslicht reeds zo dicht is genaderd, dat het niet meer op veilige wijze tot stilstand kan worden gebracht vóór de stopstreep of het verkeerslicht. Indien het verkeerslicht in het midden of aan de overkant van een kruising is geplaatst, betekent het aangaan van het amber licht dat een voertuig zich niet op de kruising of op een voetgangersoversteekplaats bij die kruising mag begeven, tenzij het de oversteekplaats of de kruising reeds zo dicht is genaderd als het licht aangaat, dat het niet meer op veilige wijze tot stilstand kan worden gebracht alvorens zich op de kruising of op de voetgangersoversteekplaats te begeven. Wanneer het amber licht tegelijk met het rode licht brandt, betekent dit dat de lichten op het punt staan te verspringen, maar dit oefent dan geen invloed uit op het verbod door te rijden bij rood licht.

Knipperlichten
Een rood knipperlicht, of twee rode lichten die beurtelings knipperen, zo, dat het ene aan is terwijl het andere uit is, en die op dezelfde paal of standaard en op dezelfde hoogte zijn gemonteerd, en in dezelfde richting zijn afgesteld, betekent dat voertuigen niet over de stopstreep mogen rijden of, indien er geen stopstreep is, dat zij niet verder mogen rijden dan het verkeerslicht; deze lichten mogen uitsluitend worden gebruikt bij overwegen, bij toeritten van beweegbare bruggen of steigers van veerboten, en om aan te geven dat het verkeer niet mag doorrijden omdat brandweerwagens die weg oprijden, of omdat er een vliegtuig in aantocht is dat op geringe hoogte over de weg zal vliegen.

Amber licht
Een enkel amber knipperlicht of twee amber lichten die beurtelings knipperen betekent dat bestuurders wel mogen doorrijden, maar dat zij zulks met grote voorzichtigheid dienen te doen.

Driekleurig licht
De verkeerslichten van het driekleurenstelsel bestaan uit drie niet-knipperende lichten die onderscheidenlijk rood, amber en groen zijn; het groene licht mag alleen aan zijn wanneer het rode en het amber licht uit zijn.

Tweekleurig licht
De verkeerslichten van het tweekleurenstelsel bestaan uit een niet-knipperend rood licht en een niet-knipperend groen licht. Het rode licht en het groene licht mogen niet tegelijk aan zijn. Verkeerslichten van een tweekleurenstelsel mogen uitsluitend worden gebruikt voor een tijdelijke installatie, zulks met inachtneming van het tijdsbestek dat volgens artikel 3, derde lid, van dit Verdrag is toegestaan voor het vervangen van bestaande installaties.

Lichten bij overwegen
De bepalingen zijn van toepassing op verkeerslichten, behalve die welke worden gebruikt bij overwegen. Verkeerslichten bij kruisingen dienen te worden geplaatst voor de kruising of in het midden van en boven de kruising; zij kunnen worden herhaald aan de overzijde van de kruising en/of op ooghoogte van de bestuurders.

Daarnaast verdient het aanbeveling dat de nationale wetgeving bepaalt dat verkeerslichten zo worden geplaatst dat zij voertuigen die zich in het verkeer op de rijbaan voortbewegen niet hinderen en, in geval van in de berm geplaatste verkeerslichten, dat zij voetgangers zo min mogelijk hinderen, gemakkelijk zichtbaar moeten zijn van een afstand en onmiddellijk te begrijpen wanneer men ze nadert; en op het grondgebied van elke Verdragsluitende Partij worden genormaliseerd voor de verschillende categorieën wegen.

Positie kleur
De lichten van de driekleuren- en tweekleurenstelsels dienen verticaal of horizontaal te worden gerangschikt.

Indien de lichten verticaal zijn gerangschikt dient het rode licht bovenaan te worden geplaatst; indien de lichten horizontaal zijn gerangschikt dient het rode licht te worden geplaatst aan de zijde tegenovergesteld aan die van de rijrichting.

In het driekleurenstelsel dient het amber licht in het midden te worden geplaatst.

Alle lichten in de verkeerslichten van de driekleuren- en tweekleurenstelsels dienen rond te zijn. De rode knipperlichten  ten dienste van het openbaar vervoer dienen eveneens rond te zijn.

Een amber knipperlicht kan als enig licht worden geplaatst; een dergelijk licht kan eveneens worden gebruikt in plaats van het driekleurenstelsel gedurende perioden waarin er weinig verkeer is.

Pijlen in het verkeerslicht
Het rode, amberkleurige en groene licht van een driekleurenstelsel mag worden vervangen door pijlen in dezelfde kleur op een zwarte achtergrond. De verlichte pijlen hebben dezelfde betekenis als de lichten, maar het verbod of de toestemming beperkt zich tot de richting of richtingen die door de pijl of pijlen worden aangeduid. Pijlen die betekenen dat het verkeer al dan niet rechtdoor mag rijden, dienen omhoog te wijzen. Hiervoor mogen zwarte pijlen op een rode, amberkleurige of groene achtergrond worden gebruikt. Deze pijlen hebben dezelfde betekenis als de bovengenoemde pijlen.

Indien een verkeerslicht van het driekleurenstelsel één of meer extra groene lichten bevat met één of meer pijlen, dan betekent het aangaan van de lichten in deze extra pijl of pijlen dat het verkeer mag doorrijden in de richting door deze pijl of pijlen aangeduid, ongeacht de fase waarin het driekleurenstelsel zich op dat ogenblik bevindt; het betekent tevens dat, indien voertuigen zich bevinden op een rijstrook die uitsluitend is bedoeld voor het verkeer in de richting die door de pijl is aangeduid of in de richting die dit verkeer moet inslaan, de bestuurders in de aangeduide richting moeten doorrijden indien zij, door te stoppen, het verkeer van de achter hen aan rijdende voertuigen op dezelfde rijstrook zouden belemmeren, met dien verstande dat zij de voertuigen in de verkeersstroom waarin zij op het punt staan zich te begeven, eerst moeten laten passeren en dat voetgangers niet in gevaar worden gebracht. Deze extra groene lichten dienen bij voorkeur in hetzelfde vlak naast het gewone groene licht te worden geplaatst.

Verkeerslichten boven rijstroken
Wanneer groene of rode lichten zijn geplaatst boven rijstroken die zijn aangegeven door strepen in de lengterichting van een rijbaan die meer dan twee rijstroken heeft, betekent het rode licht dat het verkeer niet mag doorrijden op de rijstrook waarboven het is geplaatst, en betekent het groene licht dat het verkeer op die rijstrook wèl mag doorrijden. Het aldus geplaatste rode licht dient de vorm te hebben van twee schuine, gekruiste balken en het aldus geplaatste groene licht dient de vorm te hebben van een pijl met de punt naar beneden.

Indien het bevoegde gezag het noodzakelijk acht bij lichten een ,tussen- of overgangsteken’ in te voeren, dient dit teken de vorm te hebben van een amberkleurige of witte diagonaal naar links of rechts beneden gerichte pijl, of twee van dergelijke respectievelijk naar links en rechts beneden gerichte pijlen; deze pijlen mogen knipperen. Deze amberkleurige of witte pijlen betekenen dat de rijstrook weldra voor het verkeer wordt gesloten en dat de weggebruikers op deze rijstrook zich op de door de pijl aangeduide rijstrook dienen te begeven.

Verkeerslicht bij overwegen
De nationale wetgeving kan bepalen dat bij bepaalde overwegen een langzaam knipperend maanwit licht wordt geplaatst, welk licht betekent dat het verkeer mag doorrijden.

Verkeerslicht voor fietsers
In die gevallen waarin verkeerslichten uitsluitend betrekking hebben op fietsers, kan deze beperking indien zulks nodig is om verwarring te voorkomen, worden aangeduid door het silhouet van een fiets in het licht zelf aan te brengen of door een licht van klein formaat te gebruiken, aangevuld met een rechthoekig bord waarop een fiets is afgebeeld.

Voetgangerslichten
De enige lichten die kunnen worden gebruikt als voetgangerslichten zijn de volgende, met de hieronder aangegeven betekenis;

Niet-knipperende lichten
Een groen licht betekent dat voetgangers mogen oversteken.
Een amber licht betekent dat voetgangers niet mogen oversteken, maar dat zij die zich reeds op de rijbaan bevinden naar de overkant mogen doorlopen. Een rood licht betekent dat voetgangers zich niet op de rijbaan mogen begeven.

Knipperlichten
Een groen knipperlicht betekent dat de periode waarin voetgangers de rijbaan mogen oversteken op het punt staat te worden beëindigd en dat het rode licht elk ogenblik kan aangaan. Voetgangerslichten dienen bij voorkeur van het tweekleurenstelsel te zijn, met twee lichten, onderscheidenlijk één rood en één groen licht; zij kunnen echter ook van het driekleurenstelsel zijn met drie lichten, onderscheidenlijk één rood, één amber en één groen licht. Er mag nooit meer dan één licht tegelijk aan zijn.

De lichten dienen verticaal te zijn gerangschikt, met het rode licht altijd bovenaan en het groene licht altijd onderaan geplaatst.

Het rode licht dient bij voorkeur de vorm te hebben van een stilstaande voetganger of voetgangers en het groene licht die van een lopende voetganger of voetgangers. Voetgangerslichten dienen zo te zijn ontworpen en gerangschikt, dat de mogelijkheid is uitgesloten dat zij door bestuurders kunnen worden aangezien voor verkeerslichten bestemd voor verkeer met voertuigen.

Voetgangerslichten bij voetgangersoversteekplaatsen mogen worden aangevuld met hoorbare of tastbare signalen om het oversteken van de rijbaan voor blinde voetgangers te vergemakkelijken.

Hoofdstuk IV – Op het wegdek aangebrachte tekens

Tekens op de rijbaan
Op het wegdek van de rijbaan aangebrachte tekens worden gebruikt, indien het bevoegde gezag zulks noodzakelijk acht, om het verkeer te regelen of om weggebruikers te waarschuwen of te geleiden. Zij kunnen zowel alleen worden gebruikt als tezamen met andere verkeerstekens om de betekenis daarvan extra nadruk te verlenen of te verduidelijken.

Doorgetrokken streep in de lengterichting
Een teken in de lengterichting dat bestaat uit een doorgetrokken streep op het wegdek van de rijbaan betekent dat het voertuigen is verboden zich geheel of gedeeltelijk over deze streep te begeven en, indien deze streep twee rijrichtingen scheidt, dat het voertuigen verboden is aan de zijde van de streep te rijden die voor de bestuurder ligt tegenover de kant van de rijbaan overeenkomstig zijn rijrichting. Een teken in de lengterichting dat uit twee doorgetrokken strepen bestaat heeft dezelfde betekenis.

Onderbroken streep in de lengterichting
Een teken in de lengterichting dat bestaat uit een regelmatig onderbroken streep op de rijbaan houdt geen verbod in, maar wordt gebruikt om:

  • rijstroken aan te geven om het verkeer te geleiden; of
  • te waarschuwen dat men een doorgetrokken streep nadert en te waarschuwen voor het verbod dat een dergelijke streep inhoudt,
  • of om te waarschuwen dat men een ander weggedeelte nadert dat een bepaald gevaar oplevert.

Dubbele onderbroken streep
Dubbele onderbroken strepen mogen worden gebruikt om een rijstrook of rijstroken aan te duiden waarop het verkeer in tegengestelde richting kan rijden.

Doorgetrokken en onderbroken streep
Wanneer een teken in de lengterichting bestaat uit een doorgetrokken streep vlak naast een onderbroken streep op het wegdek van de rijbaan, dienen bestuurders uitsluitend rekening te houden met de streep aan hun zijde. Deze bepaling belet bestuurders die een ander voertuig op de geoorloofde wijze hebben ingehaald, niet hun gewone plaats op de rijbaan weer in te nemen.

Strepen zijkanten van de rijbaan
Voor de toepassing worden niet als strepen in de lengterichting beschouwd: strepen die worden gebruikt om de zijkanten van de rijbaan aan te geven ten einde deze beter zichtbaar te maken, strepen die een geheel vormen met strepen die dwars op het wegdek zijn aangebracht om er parkeerplaatsen op de rijbaan mee aan te duiden, of strepen die worden gebruikt om een verbod of beperking voor parkeren of stilstaan aan te duiden.

Strepen ten behoeve van doelgroep
Het markeren van rijstroken die zijn voorbehouden aan bepaalde categorieën voertuigen, met inbegrip van fietsstroken, dient te geschieden door middel van strepen die zich duidelijk onder-scheiden van andere doorgetrokken of onderbroken strepen op de rijbaan, met name door een grotere breedte van de streep en een kortere lengte van de onderbrekingen in de streep.

Rijstrook openbaar vervoer
Indien een rijstrook is voorbehouden aan voertuigen voor geregelde openbaarvervoersdiensten, wordt dit op het wegdek aangegeven door middel van het opschrift ,BUS’ of de letter ,A’. Het teken dat een dergelijke rijstrook aanduidt, dient te zijn een vierkant of een rond teken met daarop het witte symbool van een bus op een blauw vlak.

Beide diagrammen zijn voorbeelden van markeringen voor een rijstrook die is voorbehouden aan voertuigen voor geregelde openbare vervoersdiensten.

 

De nationale wetgeving bepaalt onder welke omstandigheden andere voertuigen van de in het eerste lid genoemde rijstrook gebruik mogen maken of deze mogen overschrijden.

Stopstreep

B7

Een teken dat dwars op het wegdek is aangebracht en dat bestaat uit een doorgetrokken streep die dwars over één of meer rijstroken loopt, geeft de lijn aan waarachter bestuurders moeten stilstaan wanneer zij door teken B7 – STOP verplicht worden te stoppen. Een dergelijk teken kan ook worden gebruikt om de lijn aan te geven waarachter bestuurders moeten stilstaan wanneer zij verplicht worden te stoppen door een verkeerslicht, of door een teken dat wordt gegeven door een bevoegde ambtenaar die hét verkeer regelt, of vóór een overweg. Het woord STOP mag ook op het wegdek van de rijbaan worden aangebracht als vóóraanduiding van de bij teken B7 behorende tekens.

Tenzij het technisch onmogelijk is, dienen de dwarsstrepen op het wegdek te worden aangebracht, overal waar teken B7 is geplaatst.

B6

Een dwars op het wegdek aangebracht teken dat uit een onderbroken streep bestaat die dwars over één of meer rijstroken loopt, geeft de lijn aan die voertuigen gewoonlijk niet mogen overschrijden, wanneer zij voorrang verlenen op grond van teken B6 VOORRANG VERLENEN. Vóór een dergelijk teken op het wegdek kan een driehoek met brede omlijsting waarvan één zijde parallel loopt met de streep op het wegdek en de daartegenover liggende punt in de richting van de naderende voertuigen wijst, op het wegdek van de rijbaan worden aangebracht om teken B6 te symboliseren.

L2

Om voetgangersoversteekplaatsen aan te duiden dienen bij voorkeur vrij brede strepen te worden gebruikt, die parallel lopen met de as van de rijbaan.

J24

Om oversteekplaatsen voor fietsers aan te duiden, dienen ofwel dwars op het wegdek aangebrachte tekens te worden gebruikt, ofwel andere tekens, die niet kunnen worden verward met die van voetgangersoversteek-plaatsen.

Overige strepen op het wegdek
Andere tekens op het wegdek van de rijbaan aangebracht, zoals pijlen, strepen die parallel of schuin lopen of opschriften, kunnen worden gebruikt om aanduidingen die door verkeerstekens op borden zijn gegeven te herhalen, of om weggebruikers inlichtingen te geven die niet op doeltreffende wijze door middel van verkeerstekens of borden kunnen worden overgebracht. Dergelijke tekens dienen met name te worden gebruikt om de begrenzing van parkeerzones of -stroken aan te geven, om bus- of trolley-bushalteplaatsen aan te duiden op plaatsen waar parkeren is verboden, en voor het voorsorteren vóór kruisingen. Indien echter een pijl is aangebracht op het wegdek van een rijbaan, waar deze door middel van strepen in de lengterichting is verdeeld in rijstroken, dienen bestuurders de richting of één van de richtingen te volgen die is (zijn) aangegeven op de rijstrook waarop ze zich bevinden.

Voetgangersoversteekplaatsen
Met betrekking tot voetgangersoversteekplaatsen, betekent het aanbrengen van tekens op een deel van het wegdek van de rijbaan, of op een deel dat enigszins hoger ligt dan het niveau van de rijbaan, en wel met parallel lopende schuine strepen, omlijst door een doorgetrokken of door een onderbroken streep, daar waar zo’n deel door een doorgetrokken streep is omlijst, dat geen voertuig zich op dat weggedeelte mag begeven en daar waar zo’n deel door een onderbroken streep is omlijst, dat geen voertuig zich op dat weggedeelte mag begeven tenzij duidelijk zichtbaar is dat het veilig is zulks te doen, of tenzij dit geschiedt ten einde een zijweg in te slaan aan de andere zijde van de rijbaan.

Zig-zag strepen
Een zigzagstreep aan de zijde van de rijbaan betekent dat parkeren aan die zijde van de rijbaan over de gehele lengte van die streep verboden is. Een dergelijke lijn, eventueel in combinatie met het woord ,BUS’ of met de letter ,A’, kan worden gebruikt om een bushalte of trolleybushalte aan te duiden.

Aanbrengen strepen op het wegdek
De op het wegdek aangebrachte tekens/strepen kunnen op het wegdek van de rijbaan worden geschilderd of er op andere wijze op worden aangebracht, mits deze even doeltreffend is.

Indien tekens op het wegdek zijn geschilderd, dienen deze wit of geel te zijn; blauw mag echter worden gebruikt om plaatsen aan te geven waar parkeren is toegestaan onder bepaalde voorwaarden of met bepaalde beperkingen (beperkte duur, betaling, categorie gebruiker, enz.). Voor de toepassing wordt onder „wit” mede verstaan tinten zilver of lichtgrijs.

Bij het aanbrengen van opschriften, symbolen en pijlen op het wegdek dient rekening te worden gehouden met de noodzaak deze flink uit te rekken in de richting van het verkeer, zulks wegens de zeer scherpe hoek waaronder ze door bestuurders worden gezien.

Tekens op het wegdek die zijn bedoeld voor rijdende voertuigen moeten door bestuurders tijdig gemakkelijk kunnen worden herkend. Ze moeten overdag en ’s nachts zichtbaar zijn. Het verdient aanbeveling dat deze tekens, in het bijzonder in gebieden met onvoldoende verlichting, retroreflecterend zijn.

Tekens bij wegwerkzaamheden en omleidingen
Wanneer vast aangebrachte tekens op het wegdek voor een bepaald tijdvak moeten worden gewijzigd, in het bijzonder vanwege wegwerkzaamheden of omleidingen, moeten tijdelijke tekens worden aangebracht in kleuren die afwijken van de kleuren die voor vast aangebrachte tekens worden gebruikt.

Tijdelijke tekens gaan boven vaste tekens
Tijdelijk aangebrachte tekens gaan boven vast aangebrachte tekens en weggebruikers moeten zich hieraan conformeren. Wanneer de gelijktijdige aanwezigheid van vast en tijdelijk aangebrachte tekens tot verwarring kan leiden, moeten de vast aangebrachte tekens worden bedekt of verwijderd.

Tijdelijk aangebrachte tekens moeten bij voorkeur retro-reflecterend zijn en mogen worden voorzien van bakens, kattenogen of reflectoren om de verkeersgeleiding te verbeteren.

Hoofdstuk V – Verschillende bepalingen

Tekens voor werken in uitvoering
De begrenzingen van werken in uitvoering op de rijbaan dienen duidelijk te worden aangegeven.

Waar de omvang van de werken in uitvoering en de verkeersdichtheid zulks rechtvaardigen, dienen de begrenzingen van de werken te worden aangeduid door middel van al dan niet aaneengesloten waarschuwingshekken die zijn beschilderd met afwisselend rode en witte, of rode en gele, of zwarte en witte, of zwarte en gele strepen; indien deze waarschuwingshekken niet zijn voorzien van reflecterend materiaal dienen de werken bovendien ’s nachts te worden aangeduid met lichten en reflectoren. Reflectoren en niet knipperende lichten die voor dit doel worden gebruikt dienen rood of donkergeel te zijn en knipperlichten donkergeel. Evenwel:

  1. mogen lichten en reflectoren die uitsluitend zichtbaar zijn voor verkeer in één richting en die de begrenzingen aanduiden van de werken aan de zijde tegenover die van de verkeersrichting, wit zijn;
  2. mogen lichten en reflectoren die de begrenzingen aanduiden van werken die een scheiding van de twee verkeersrichtingen vormen, wit of lichtgeel zijn.

Bebakening van reflecterende aard of door middel van lichten
Elke Verdragsluitende Partij dient voor haar gehele grondgebied dezelfde kleur of hetzelfde stelsel van kleuren te gebruiken voor de lichten of het reflecterende materiaal die worden gebruikt om de zijkant van de rijbaan aan te duiden.

Overwegen
Wanneer bij een overweg een signaalsysteem is geïnstalleerd om te waarschuwen voor naderende treinen of om te waarschuwen dat de bomen of halve bomen op het punt staan te worden gesloten, dan dient dit te bestaan uit een rood knipperlicht of uit twee rode lichten die beurtelings knipperen.
Evenwel mogen rode knipperlichten worden aangevuld of vervangen door lichtsignalen van het driekleurenstelsel rood-amber-groen, of door dergelijke signalen zonder het groene licht, indien andere driekleurensignalen zijn geïnstalleerd op de weg vlakbij de overweg of indien de overweg met bomen is uitgerust.

Behoeft op onverharde wegen met zeer weinig verkeer en op voetpaden slechts een geluidssignaal te worden gebruikt.

De lichten mogen in alle gevallen worden aangevuld met een geluidssignaal.

De lichten dienen te worden geïnstalleerd aan de kant van de rijbaan die overeenkomt met de rijrichting; wanneer de omstandigheden, zoals de zichtbaarheid van de signalen of de verkeersdichtheid zulks vereisen, dienen de lichten ook aan de andere zijde van de weg te worden geplaatst. Indien men uit hoofde van de plaatselijke omstandigheden daar de voorkeur aan geeft mogen de lichten op een vluchtheuvel in het midden van de rijbaan worden herhaald, of boven de rijbaan worden aangebracht.

B7

Teken B7 STOP kan bij een overweg worden geplaatst die niet is uitgerust met hele of halve bomen of met lichtsignalen die voor naderende treinen waarschuwen; bij overwegen waar dit teken is geplaatst, dienen bestuurders te stoppen bij de stopstreep of indien er geen stopstreep is, ter hoogte van het teken, en niet door te rijden dan nadat zij zich ervan hebben overtuigd dat er geen trein in aantocht is.

Overweg met bomen
Bij overwegen die zijn uitgerust met bomen, of met halve bomen die schuin tegenover elkaar aan elke zijde van de spoorlijn zijn geplaatst, betekent de aanwezigheid van dergelijke bomen of halve bomen dwars over de weg dat weggebruikers niet verder mogen rijden dan tot de dichtstbijzijnde boom of halve boom; de beweging van de bomen en de halve bomen, naar een positie dwars over de weg, heeft dezelfde betekenis.

Het branden van het rode licht of de rode lichten, of het in werking zijn van het geluidssignaal,  betekenen eveneens dat weggebruikers niet verder mogen rijden dan tot de stopstreep, of, indien er geen stopstreep is, niet verder dan tot het licht of het apparaat waarin het geluidssignaal is gemonteerd. Wanneer het amber licht van het driekleurenstelsel brandt, betekent dit dat weggebruikers niet verder mogen rijden dan tot de stopstreep, of, indien er geen stopstreep is, niet verder dan tot dat licht, tenzij het betrokken voertuig het amber licht zo dicht is genaderd wanneer dat licht gaat branden, dat het voertuig niet meer op veilige wijze vóór het teken tot stilstand kan worden gebracht.

Kleur overwegbomen
De bomen en halve bomen van overwegen dienen duidelijk te zijn aangegeven met afwisselend witte en rode, of rode en gele, of zwarte en witte, of zwarte en gele strepen. Zij kunnen echter ook helemaal wit of helemaal geel zijn mits in het midden een grote, rode schijf is aangebracht.

J14

Bij alle overwegen die niet met bomen of met halve bomen zijn uitgerust, dient in de onmiddellijke nabijheid van de spoorlijn een teken J14 te worden aangebracht.

B7

Indien er een licht is dat voor naderende treinen waarschuwt, of een teken B7 ,STOP’, dient het teken J14 op dezelfdepaal of op dezelfde standaard te worden aangebracht als het licht of als teken B7. Het plaatsen van het teken J14 is niet verplicht bij:

  1. een kruising van een weg en een spoorbaan waarover het spoorwegverkeer zich zeer langzaam voortbeweegt en waar het wegverkeer wordt geregeld door een spoorwegemployé die met de hand de noodzakelijke tekens geeft; of
  2. een kruising van een spoorbaan en een onverharde weg met zeer weinig verkeer, of een voetpad.

Gevaarstekens bij overwegen

J10

J11


Wegens het bijzondere gevaar dat overwegen opleveren, verplichten de Verdragsluitende Partijen zich ertoe:
Vóór alle overwegen een van de gevaarstekens te laten plaatsen met een van de symbolen J10 of J11; zo’n teken hoeft echter niet geplaatst te worden:

  •  in bijzondere gevallen die zich binnen de bebouwde kom kunnen voordoen
  • op onverharde wegen en paden waarop slechts bij uitzondering verkeer met gemotoriseerde voertuigen voorkomt

Alle overwegen uit te rusten met bomen of met halve bomen of met een signaal dat voor naderende treinen waarschuwt, tenzij weggebruikers de spoorbaan aan beide zijden van de overweg over een zo grote afstand kunnen zien dat, rekening houdende met de maximumsnelheid van de treinen, de bestuurder van een voertuig op de weg die de spoorbaan van één van beide zijden nadert wanneer een trein in zicht is, voldoende tijd heeft om te stoppen alvorens zich op de overweg te begeven, en tenzij voorts weggebruikers die zich reeds op de overweg bevinden wanneer een trein in zicht komt, voldoende tijd hebben om de andere zijde van de overweg te bereiken; het staat de Verdragsluitende Partijen echter vrij van de bepalingen af te wijken bij overwegen waar treinen betrekkelijk langzaam rijden of waar slechts weinig verkeer met gemotoriseerde voertuigen op de weg is.

Waarschuwing nadering trein
Elke overweg met bomen of met halve bomen, die worden bediend vanaf een plaats waar de bomen of halve bomen niet zichtbaar zijn, te laten uitrusten met een van de stelsels voor het geven van signalen ter waarschuwing dat een trein nadert.

Elke overweg met bomen of met halve bomen die automatisch worden gesloten door het naderen van een trein, te laten uitrusten met een van de stelsels voor het geven van signalen ter waarschuwing dat een trein nadert.

Zichtbaarheid overwegbomen
Ten einde bomen en halve bomen beter zichtbaar te maken, deze te laten uitrusten met reflecterend materiaal of met reflectoren en, zo nodig, ze ’s nachts te verlichten; bovendien, op wegen waar ’s nachts een dicht verkeer is van motorvoertuigen, de gevaarstekens, die op enige afstand vóór de overweg zijn geplaatst, uit te rusten met reflecterend materiaal of met reflectoren en, zo nodig, ze ’s nachts te verlichten;

Waar mogelijk, dicht bij overwegen uitgerust met bomen of met halve bomen, in de lengterichting op het midden van de rijbaan een teken op het wegdek aan te brengen dat voertuigen die de overweg naderen verbiedt zich op de weghelft te begeven die is bestemd voor verkeer uit de tegenovergestelde richting, of zelfs verkeerseilanden aan te brengen die het verkeer in beide richtingen scheiden.

De bepalingen van dit artikel dienen niet te worden toegepast in de gevallen waarnaar wordt verwezen in de laatste zin van artikel 35, tweede lid, van dit Verdrag.

Hoofdstuk VI – Slotbepaling


Dit Verdrag is tot 31 december 1969 in het Hoofdkwartier der Verenigde Naties te New York opengesteld voor ondertekening door alle Lid-Staten van de Verenigde Naties, van een van de gespecialiseerde organisaties of van de Internationale Organisatie voor Atoomenergie of door de Staten die Partij zijn bij het Statuut van het Internationale Gerechtshof, alsmede door elke andere Staat die door de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties is uitgenodigd Partij te worden bij dit Verdrag.

Dit Verdrag dient te worden bekrachtigd. De akten van bekrachtiging dienen te worden nedergelegd bij de Secretaris-Generaal van de Verenigde Naties.

Dit Verdrag blijft opengesteld voor toetreding door alle Staten bedoeld in het eerste lid van dit artikel. De akten van toetreding worden nedergelegd bij de Secretaris-Generaal

Elke Staat kan bij de ondertekening of bekrachtiging van dit Verdrag, of bij toetreding tot het Verdrag, alsook te allen tijde daarna, door middel van een aan de Secretaris-Generaal gerichte kennisgeving verklaren dat het Verdrag van toepassing wordt voor een of meer der gebieden voor welker buitenlandse betrekkingen hij verantwoordelijk is. Het Verdrag wordt van toepassing voor het gebied of de gebieden genoemd in de kennisgeving dertig dagen na ontvangst van de kennisgeving door de Secretaris-Generaal dan wel op de datum waarop het Verdrag in werking treedt in de Staat die de kennisgeving heeft afgelegd, welke van beide data later valt.

Elke Staat die een verklaring aflegt als bedoeld in het eerste lid van dit artikel dient namens de gebieden waarvoor deze verklaring werd afgelegd de verklaringen af te leggen bedoeld in artikel 46, tweede lid, van dit Verdrag.

Elke Staat die een verklaring heeft afgelegd als bedoeld in het eerste lid van dit artikel kan op elk later tijdstip door middel van een aan de Secretaris-Generaal gerichte kennisgeving verklaren dat het Verdrag niet langer van toepassing zal zijn voor het in de kennisgeving genoemde gebied en het Verdrag zal dan niet langer van toepassing zijn voor dit gebied met ingang van een jaar te rekenen van de datum waarop de Secretaris-Generaal de kennisgeving heeft ontvangen.

 

Bijlage 1 – Verkeerstekens

Gevaarstekens – Waarschuwingstekens

J-serie

De tekens A – gevaarstekens, dienen te zijn zoals model J-serie of als model B6 volgens bijlage 1 van het RVV1990 behalve de tekens, geplaatst voor overgangen van railvoertuigen. Model A is een gelijkzijdige driehoek met één zijde horizontaal en met de daartegenover liggende hoek er boven; het vlak is wit of geel en de rand rood.

Model B1 is een vierkant met één diagonaal verticaal; het vlak is geel en de rand, die slechts de omtrek aangeeft, is zwart. Tenzij hun omschrijving anderszins voorschrijft, dienen de symbolen die op deze tekens zijn aangebracht zwart of donkerblauw te zijn.

De zijde van het teken model A van het normale formaat dient ongeveer 90 cm lang te zijn; die van het kleine model A dient ten minste 60 cm lang te zijn. De zijde van het teken B1 van het normale formaat dient ongeveer 60 cm lang te zijn; die van het kleine model B1 dient ten minste 40 cm lang te zijn.

Symbolen voor gevaarstekens en gebruik

Gevaarlijke bocht of bochten.
Een waarschuwing voor een gevaarlijke bocht of een opeenvolging van gevaarlijke bochten dient door een symbool te worden aangegeven. De aanbevolen symbolen zijn die als op de volgende borden getoond.

J3

J2

J5

J4

 

  • J3: bocht naar links
  • J2: bocht naar rechts
  • J5: dubbele bocht, of een opeenvolging van meer dan twee bochten, waarvan de eerste naar links is
  • J4: dubbele bocht, of een opeenvolging van meer dan twee bochten, waarvan de eerste naar rechts is.

Gevaarlijke nederwaartse helling/steile opwaartse helling

J7

Ten einde te waarschuwen voor een steile nederwaartse helling dient het symbool als op J7 te worden gebruikt.

 

J6

Steile opwaartse helling. Ten einde te waarschuwen voor een steile opwaartse helling dient het symbool als op J6 te worden gebruikt.

Het schuine deel van het symbool op de borden J6 en J7 dienen in de hoeken van het bord te staan en de onderkant dient de hele breedte van het bord te beslaan. Het cijfer op symbolen van de borden J6 en J7 geeft de hellingshoek aan in percenten uitgedrukt; dit kan worden vervangen door de verhouding (1:10). De Verdragsluitende Partijen mogen in plaats van het symbool als op bord J6 en J7 ook het symbool van een auto gebruiken.

Versmalling van de rijbaan

J17

J18

J19

De waarschuwing dat de rijbaan verderop smaller wordt, dient te worden gegeven door het symbool op bord J17, of door een symbool dat de begrenzing van de weg duidelijker weergeeft, zoals op de borden J18 en J19

Beweegbare brug

J15

De waarschuwing voor een beweegbare brug dient te worden gegeven door het symbool als op bord J15. (aangevuld met afstandsborden….)

Weg die uitkomt op een kade of rivieroever

J26

De waarschuwing dat de weg even verder uitkomt op een kade of rivieroever dient te worden aangegeven door het symbool als op het bord J26.

Ongelijk wegdek

J1

De waarschuwing voor uithollingen of kuilen, hoge bruggetjes of richels of voor weggedeelten waar de rijbaan zich in slechte toestand bevindt, dient te worden gegeven door het symbool als op bord J1.

J38

Een waarschuwing voor een hoog bruggetje of een richel kan worden gegeven door het symbool als op bord J38, in plaats van door het symbool als het bord J1.

Gevaarlijke berm (in NL niet van toepassing)
De waarschuwing voor een weggedeelte waar de berm uitzonderlijk gevaarlijk is, dient te worden gegeven door een symbool van scheefstaande auto. Het symbool mag in spiegelbeeld worden aangebracht.

Slipgevaar

J20

De waarschuwing dat het komende weggedeelte uitzonderlijk glad kan zijn, dient te worden aangegeven door het symbool als op bord J20.

Opspattend steenslag/steenval

J25

De waarschuwing voor een weggedeelte met opspattend steenslag dient te worden gegeven door het symbool als op bord J25. (of een symbool van rots met vallend gesteente – in Nederland n.v.t)

Voetgangersoversteekplaats

J22

De waarschuwing voor een voetgangersoversteekplaats kunnen worden aangegeven door tekens op het wegdek dan wel door tekens als op de borden J22 of L2 (de

L2

symbolen mogen in spiegelbeeld worden aangebracht)

 

Kinderen

J21

De waarschuwing voor een weggedeelte dat veel door kinderen wordt gebruikt, zoals bij de uitgang van een school of speelplaats, dient te worden gegeven door het symbool als op bord J21 (de symbolen mogen in spiegelbeeld worden aangebracht)

Oversteekplaats fietsers

J24

De waarschuwing dat men een plaats nadert waar fietsers zich dikwijls op de weg begeven of deze oversteken, dient te worden aangegeven door het symbool als op bord J24 (het symbool mag in spiegelbeeld worden aangebracht)

Overstekend vee of wild

J27

De waarschuwing voor een weggedeelte waar dieren plegen over te steken, dient te worden aangegeven door een symbool met het silhouet van het dier, vee of wild, dat men daar het meest op de weg aantreft, zoals het

J28

symbool als op de borden J27 en J28 (de symbolen mogen in spiegelbeeld worden aangebracht)

 

Werk in uitvoering

J16

De waarschuwing dat op het komende weggedeelte werk in uitvoering is, dient te worden gegeven door het symbool als op bord J16.

Verkeerslichten

J32

Indien het onontbeerlijk wordt geacht het verkeer te waarschuwen dat het een weggedeelte nadert waarop het verkeer door verkeerslichten van het driekleurenstelsel wordt geregeld – omdat weggebruikers een dergelijk weggedeelte niet verwachten – dient symbool als op bord J32 te worden gebruikt.

Kruisingen waar de voorrang is zoals voorgeschreven bij de algemene voorrangsregel

J8

De waarschuwing voor een kruising waar de voorrang is zoals voorgeschreven bij de algemene voorrangsregel die in het land van kracht is, dient te worden gegeven door het driehoeksbord als de J-serie met een symbool van J8,  op gelijkwaardige kruspunten, T-splitsing of Y-splitsing, dan wel een bajonet-aansluiting.

     


De waarschuwing voor een voorrangskruising dient te worden gegeven door het symbool als op bord B3, of om de aard van de kruising duidelijker aan te geven, de borden B4 en B5.

B3

B4

B5

 

B6

Deze symbolen mogen alleen op een weg worden geplaatst indien de borden als B6 of B7 zijn geplaatst op de weg of wegen waarmee deze weg de kruising vormt en waarvoor de waarschuwing is bedoeld, of indien deze

B7

wegen zodanig van aard zijn (bijvoorbeeld paden of onverharde wegen) dat, ingevolge de nationale wetgeving, bestuurders die zich daarop bevinden bij de kruising voorrang moeten verlenen, ook indien dergelijke tekens

B1

niet zijn geplaatst. Het gebruik van deze symbolen op wegen waarop bord B1 is aangebracht, dient tot uitzonderlijke gevallen te worden beperkt.

Kruisingen waarop aan de bestuurders op de kruisende weg voorrang moet worden verleend

B6

Voor het voorrang verlenen bij de kruising is het bord als B6 geplaatst. (dit kan ook een rond bord zijn met in het hart een driehoek, waarin het wordt STOP is aangegeven. Zonder het woord “stop” kan dit ook een aanduiding van een verkeersplein inhouden)

Kruising waarop het verkeer wordt geregeld door verkeerslichten
Indien het verkeer bij een kruising wordt geregeld door verkeers-lichten, mogen de borden als B1 en B6 met symbool van een driekleurig verkeerslicht worden geplaatst.

Tweerichtingsverkeer

C5

De waarschuwing dat op een weggedeelte het verkeer zich tijdelijk of permanent in beide richtingen voortbeweegt op dezelfde rijbaan, terwijl op het daarvóór gelegen weggedeelte het verkeer zich in slechts één richting voortbewoog dan wel de weg bestond uit verscheidene rijbanen, elk bestemd voor het verkeer in één richting, dient te worden gegeven door het bord als C5. Het teken met dit symbool dient te worden herhaald bij het begin van dit weggedeelte en tevens langs dit weggedeelte zo dikwijls als nodig wordt geacht.

Files

J33

De waarschuwing dat op het komende weggedeelte mogelijk een file staat, dient te worden gegeven door het symbool als op bord J33. Dit symbool mag in spiegelbeeld worden aangebracht.

Bewaakte spoorwegovergangen

J10

De waarschuwing voor overwegen met bomen of halve bomen die schuin tegenover elkaar aan elke zijde van de spoorlijn zijn geplaatst, dient te worden aangegeven door het symbool als op bord J10.

Andere overwegen
Andere overwegen dienen, afhankelijk van het geval, te worden aangegeven door het symbool als op bord J11 of door de tekens J12 en J13.

J11

12

13

Kruising met een tramlijn

J14

De waarschuwing voor een kruising met een tramlijn mag, mits een dergelijke kruising geen overweg is, worden aangegeven door het symbool als op het bord J14.

J37

Noot: als het noodzakelijk wordt geacht te waarschuwen voor een kruising van een weg en een spoorbaan waarover het spoor-wegverkeer zich zeer langzaam voortbeweegt, en waar het wegverkeer wordt geregeld door een spoorwegemployé die de railvoertuigen begeleidt en met de hand de noodzakelijke tekens geeft, dient teken als op J37 te worden gebruikt.

Tekens die bij overwegen dienen te worden geplaatst
Er zijn drie modellen van het teken als op bord J14: als de tekens op de borden J12 (enkelspoor), J13 (twee of meer sporen) en als J12 met extra toevoeging van het aantal sporen.

J14

12

13

Modellen als de tekens J12 en J13 dienen een wit of geel vlak te hebben met een rode of zwarte rand. Model teken J12 met aanduiding van het aantal sporen, dient een wit of geel vlak te hebben met een zwarte rand; het opschrift op het teken dient met zwarte letters te zijn aangebracht. Model J13 dient uitsluitend te worden gebruikt indien de spoorlijn uit ten minste twee sporen bestaat; bij het model J12 mat aanduiding mag alleen een onderbord worden gebruikt wanneer de spoorlijn uit ten minste twee sporen bestaat, in welk geval het teken het aantal sporen dient aan te geven.

De normale lengte van de balken van het kruis dient ten minste 1,20 m te zijn. Indien er niet voldoende ruimte is, mag het teken ook worden geplaatst met de punten van de balken naar boven en naar beneden.

Aanvullende tekens bij toegangswegen tot overwegen of beweegbare bruggen

Afstand

J37

B1

Borden/bebakening met de tekens die de afstand “tot” aangeven: de banen die de afstand aangeven, dienen schuin naar beneden te lopen in de richting van de rijbaan. Boven de bebakening mag het gevaarsteken als J37 of B1 worden geplaatst.

Vliegveld

J30

De waarschuwing voor laag vliegende vliegtuigen boven een weg, die bezig zijn te landen op, of op te stijgen van een vliegveld, dient te worden aangegeven door het symbool als op bord J30. Dit symbool mag in spiegelbeeld worden aangebracht.

Zijwind

J31

De waarschuwing dat op een bepaald weggedeelte dikwijls sterke zijwind voorkomt, dient te worden aangegeven door het symbool als op bord J31. Dit symbool mag in spiegelbeeld worden aangebracht.

Andere gevaren

J37

De waarschuwing voor een weggedeelte met gevaren kan ook worden gegeven door het symbool als op bord J37.
Het symbool als op bord J37 kan met name worden gebruikt om te waarschuwen voor kruisingen met een spoorbaan waarover het spoorwegverkeer zich zeer langzaam voortbeweegt en waar het wegverkeer wordt geregeld door een spoorwegemployé die de railvoertuigen begeleidt en met de hand de noodzakelijke tekens geeft.

Voorrangstekens
Noot: bij een kruising van een weg met een voorrangsweg waarin zich een bocht bevindt, kan onder de gevaarstekens die voor de kruising waarschuwen, of onder tekens die de voorrang regelen, ongeacht of deze al dan niet bij de kruising zijn opgesteld, een onderbord “in de voorrang” worden geplaatst met een schematische weergave met het verloop van de weg van de kruising die de loop van de voorrangsweg aangeeft.

Het teken voorrang verlenen

B6

Het teken voorrang verlenen dient het bord als B6 te zijn. Dit dient te bestaan uit een gelijkzijdige driehoek, waarvan één zijde horizontaal en met de daartegenover liggende hoek er onder. Het vlak dient wit of geel te zijn en de rand rood. Op dit teken mag geen symbool worden aangebracht. De zijde van dit teken van het normale formaat dient ongeveer 90 cm lang te zijn; de zijde van het teken van het kleine formaat dient ten minste 60 cm lang te zijn.

Het STOP-teken

B7

Het bord B7 is een achthoek met een rood vlak met daarop in het wit het woord STOP in het Engels of in de taal van de desbetreffende Staat; de hoogte van dit woord dient ten minste een derde te zijn van de hoogte van het bord;
Het ronde bord als B7, is rond met een wit of geel vlak en een rode rand; daarbinnen staat het teken als bord B6 zonder enig opschrift, en bovenaan met grote letters het woord STOP in zwart of donkerblauw, in het Engels of in de taal van de desbetreffende Staat.
De hoogte van het normale formaat van de STOP-borden dienen ongeveer 90 cm te zijn; dezelfde afmetingen van deze tekens van het kleine formaat dienen ten minste 60 cm te zijn.

Het teken voorrangsweg

B1

Het teken voorrangsweg dient teken B1 te zijn. Het dient te bestaan uit een vierkant waarvan één diagonaal verticaal staat. De buitenste rand van het teken dient zwart te zijn; het teken dient in het midden een geel of oranje vierkant te tonen met een zwarte omlijsting. De ruimte tussen de beide vierkanten dient wit te zijn. De zijde van dit teken van het normale formaat dient ongeveer 50 cm te zijn; de zijde van het teken van het kleine formaat dient ten minste 35 cm te zijn.

Het teken einde voorrangsweg

B2

Het teken einde voorrangsweg dient teken B2 te zijn. Dit dient te bestaan uit teken B1 als hierboven beschreven, waarop in het midden een zwarte of grijze band is aangebracht, die loodrecht staat op de zijden linksonder en rechtsboven van het vierkant, dan wel parallel lopende zwarte of grijze lijnen die een zodanige band vormen.

Teken dat aanduidt dat tegemoetkomend verkeer voorrang heeft

F5

Indien op een smal weggedeelte, waar voorbijgaan moeilijk of onmogelijk is, het verkeer wordt geregeld, en indien, omdat bestuurders dat hele weggedeelte ’s nachts en overdag duidelijk kunnen zien, de regeling van het verkeer bestaat uit voorrang verlenen aan verkeer in één richting, en niet door het plaatsen van verkeerslichten, dient het bord als F5 (voorrang verlenen aan tegemoetkomend verkeer) te worden geplaatst met de voorzijde naar het verkeer dat geen voorrang heeft. Dit teken geeft aan dat het verboden is zich op het smalle weggedeelte te begeven zolang het niet mogelijk is tot het eind van dit weggedeelte te rijden zonder tegemoetkomende voertuigen tot stoppen te dwingen. Dit teken dient rond te zijn, met een wit of geel vlak en een rode rand; de pijl die aangeeft welke rijrichting voorrang heeft, dient zwart te zijn en de pijl die de andere rijrichting aangeeft, rood.

Teken dat aanduidt dat men voorrang heeft op tegemoetkomend verkeer

F6

Om bestuurders kenbaar te maken dat zij op een smal weggedeelte voorrang hebben op tegemoetkomende voertuigen, dient teken F6 te worden gebruikt. Dit teken dient rechthoekig te zijn met een blauw vlak; de naar boven wijzende pijl dient wit te zijn, de andere rood.
Als teken F6 wordt gebruikt, dient teken F5 op de weg te worden geplaatst aan het andere eind van het smalle weggedeelte, voor het verkeer in tegengestelde richting.

Verbodstekens of beperkende tekens
Algemene kenmerken en symbolen

Verbodstekens en beperkende tekens dienen rond te zijn; hun diameter dient ten minste 60 cm te zijn buiten de bebouwde kom en ten minste 40 cm binnen de bebouwde kom. Tenzij bij de beschrijving van de tekens anders is aangegeven, dienen verbodstekens en beperkende tekens een wit of geel vlak te hebben of, bij tekens die een verbod of beperking inhouden voor stilstaan of parkeren, een blauw vlak met een brede rode rand; de symbolen en eventueel nodige opschriften dienen zwart of donkerblauw te zijn en indien er schuine banen op voorkomen, dienen deze rood te zijn en te lopen van links boven naar rechts beneden.

Algeheel en beperkt inrijverbod

C2

De aanduiding dat het voor alle voertuigen verboden is een weg in te rijden, dient te worden aangegeven door het bord als C2

Verboden in te rijden

C1

De aanduiding dat alle verkeer met voertuigen in beide richtingen is verboden, dient te worden aangegeven door het bord als C1,

Gesloten voor alle voertuigen in beide richtingen

De aanduiding dat het slechts voor een bepaalde categorie voertuigen of weg-gebruikers verboden is een weg in te rijden, dient te worden aangegeven door een teken op een onderbord met als

Onderbord

symbool een silhouet van het soort voertuig of weggebruiker dat hier niet mag inrijden.

 

Overige borden algeheel of beperkt inrijverbod

C6

C11

C14

C13
C7

 

 

  • C6 –Verboden voor gemotoriseerde voertuigen, behalve  voor motorfietsen zonder zijspanwagen.
  • C11 –  Verboden voor motorfietsen.
  • C14 –  Verboden voor fietsen/snorfietsen.
  • C13 –  Verboden voor bromfietsen.
  • C7  – Verboden voor vrachtvoertuigen.

Een opschrift met een tonnagecijfer, hetzij in lichte kleur op het silhouet van het voertuig, op een onderbord dat onder teken C7 is aangebracht, betekent dat het verbod alleen geldt indien de toegestane maximum massa van het voertuig of het samenstel van voertuigen dit cijfer te boven gaat.

Aanhangwagens

C,3f  (n.v.t. Voor Nederland) Verboden voor alle gemotoriseerde voertuigen met aanhangwagen(s) met uitzondering van een oplegger of van eenassige aanhangwagen. Een opschrift met een tonnagecijfer, hetzij in lichte kleur op het silhouet van de aanhangwagen, hetzij op een onderbord dat onder het bord is aangebracht, betekent dat het verbod alleen geldt indien de toegestane maximum massa van de aanhangwagen dit cijfer te boven gaat.
De Verdragsluitende Partijen kunnen, in gevallen waarin zij zulks nodig achten, op het symbool het silhouet van de achterzijde van de vrachtauto vervangen door het achterste deel van een personenauto, en het silhouet van de aanhangwagen door dat van een aanhangwagen die aan een personenauto kan worden gekoppeld.

Verboden toegang voor alle gemotoriseerde voertuigen met aanhangwagen(s)

C10

Een opschrift met een tonnagecijfer, hetzij in lichte kleur op het silhouet van de aanhangwagen op een onderbord dat onder het teken als C10 is aangebracht, betekent dat het verbod alleen geldt indien de toegestane maximum massa van de aanhangwagen dit cijfer te boven gaat.

Verboden toegang voor voertuigen met gevaarlijke stoffen waarvoor speciale signalering is voorgeschreven.

C22

Voor de aanduiding dat inrijden voor voertuigen met bepaalde gevaarlijke stoffen is verboden, kan een teken als C22 worden gebruikt, indien nodig voorzien van een onderbord. De informatie op dit onderbord geeft aan dat dit verbod alleen geldt voor het vervoer van gevaarlijke stoffen zoals beschreven in de nationale wetgeving.

C16

C3j

C3k

C8

 

  • C16 – Verboden voor voetgangers.
  • C,3j – (n.v.t. Voor Nederland) Verboden voor bespannen wagens.
  • C,3k – (n.v.t. Voor Nederland) Verboden voor handkarren.
  • C8 – Verboden voor gemotoriseerde landbouwvoertuigen.

Noot – De Verdragsluitende Partijen kunnen op borden de schuine rode balk, die van links boven naar rechts onder loopt, weglaten, of, mits zulks het niet moeilijker maakt het symbool te zien en te begrijpen, deze balk niet onderbreken waar deze door het symbool heen loopt.

De aanduiding dat inrijden voor verschillende soorten voertuigen of weggebruikers is verboden, mag worden gegeven, hetzij door evenveel verbodstekens te plaatsen als er verboden soorten zijn, dan wel door één enkel verbodsteken dat de silhouetten toont van de verschillende soorten voertuigen of weggebruikers voor wie dit inrijverbod geldt.

C12

De tekens als C12 (verboden voor alle gemotoriseerder voertuigen) en  C,4b (verboden voor alle gemotoriseerde voertuigen en alle bespannen wagens) zijn voorbeelden

C,4b

hiervan.

 

Tekens met meer dan twee silhouetten mogen niet buiten de bebouwde kom worden geplaatst, en tekens met meer dan drie silhouetten mogen niet binnen de bebouwde kom worden geplaatst.

Verbod inrijden massa en afmetingen
De aanduiding dat inrijden is verboden voor voertuigen waarvan de massa of de afmetingen bepaalde maxima te boven gaan, dient met de volgende tekens te worden gegeven:

C18

C19

C21

C20

C17

 

  • C18 – Verboden voor voertuigen waarvan de grootste breedte…meter te boven gaat.
  • C19 – Verboden voor voertuigen waarvan de grootste hoogte …meter te boven gaat.
  • C21 – Verboden voor voertuigen waarvan de totale massa …ton te boven gaat.
  • C20 – Verboden voor voertuigen waarvan de asdruk…ton te boven gaar.
  • C17 – Verboden voor voertuigen of samenstellen van voertuigen die een lengte van…meter te boven gaat.

Minimale volgafstand

De aanduiding dat voertuigen niet dichter achter elkaar mogen rijden dan de op het teken aangeduide afstand, wordt gegeven door het teken C,10 (n.v.t. Voor Nederland) “het is verboden met voertuigen minder dan…meter afstand te houden”

Verbod om af te slaan
De aanduiding dat het verboden is links of rechts af te slaan, al naar gelang de richting van de pijl, dient te worden gegeven door teken C,11a – linksaf verboden, of door teken C,11b – rechtsaf verboden. (n.v.t. Voor Nederland)

Verbod te keren

F7

De aanduiding dat het verboden is te keren, dient te worden gegeven door het bord als F7 – keren verboden.
Indien van toepassing mag het symbool in spiegelbeeld worden aangebracht.

Inhaalverbod
De aanduiding dat, als aanvulling op de algemene regels die met betrekking tot inhalen van kracht zijn, het inhalen door gemotoriseerde voertuigen, met uitzondering van tweewielige bromfietsen en tweewielige motorfietsen zonder zijspanwagen, op een bepaalde weg is verboden, dient te worden gegeven door het bord als F1 – inhalen verboden. Er zijn twee modellen van dit teken, waarvan in plaats van bord C,13ab voor Nederland bord F2 wordt gebruikt.

F1

C13ab

F2

Inhalen vrachtvoertuigen
De aanduiding dat inhalen alleen is verboden voor vrachtvoertuigen met een toegestane maximum massa die 3,5 ton te boven gaat, dient te worden gegeven door het bord als F3 – inhalen door vracht-voertuigen verboden. Er zijn twee modellen van dit teken, waarvan in plaats van bord C,13bb voor Nederland bord F4 wordt gebruikt.
Een opschrift op een onderbord dat onder het teken wordt geplaatst kan de toegestane maximum massa waarboven het verbod geldt, wijzigen.

F3

C13bb

F4

Snelheidsbeperking

A1

De aanduiding van een snelheidsbeperking dient te worden gegeven door het bord als A1 – maximum snelheid beperkt tot het aangegeven cijfer. Het cijfer op het teken dient de maximumsnelheid aan te geven in de meeteenheid van het stelsel dat in het betrokken land gewoonlijk wordt gebruikt om er de snelheid van voertuigen in uit te drukken. Achter of onder het cijfer dat de snelheid aangeeft kan bijvoorbeeld ,km’ (kilometer) of ,m’ (mijl) worden toegevoegd.

Teneinde een snelheidsbeperking aan te geven voor voertuigen die een toegestane maximum massa te boven gaan, dient het cijfer dat hierop betrekking heeft op een onderbord te worden aangegeven, welk bord onder het teken dient te worden geplaatst.

Verbod om inrichtingen voor geluidssignalen te gebruiken

C15

De aanduiding dat het is verboden inrichtingen voor geluidssignalen te gebruiken, behalve om een ongeval te vermijden, dient te worden gegeven door het teken C,15 (n.v.t. Voor Nederland) – Verboden inrichtingen voor geluidssignalen te gebruiken.

H2

Indien dit teken niet is geplaatst bij het begin van een bebouwde kom, of kort na een teken dat de bebouwde kom aangeeft, dient het vergezeld te gaan van een onderbord H2 waarop de afstand is aangegeven waarover het verbod geldt. Het verdient aanbeveling dit teken niet bij het begin van een bebouwde kom te plaatsen indien dit verbod voor alle bebouwde kommen geldt, en ervoor te zorgen dat het teken dat het begin van de bebouwde kom aangeeft, weggebruikers ervan in kennis stelt dat de verkeersregels die in dat land voor de bebouwde kom gelden, van dit punt af van toepassing zijn.

Verbod om zonder te stoppen door te rijden

C1

Bij het naderen van een douanekantoor waar stoppen verplicht is, wordt hiervan kennis gegeven door het bord als C1 met in het hart een zwarte horizontale balk en de tekst douane/zoll – Verboden om zonder stoppen door te rijden.

C16

Het symbool van dit bord dient het woord douane te bevatten, bij voorkeur in twee talen; de Verdragsluitende Partijen die het teken, als bedoeld gebruiken, dienen te trachten tot een regionale overeenkomst te komen zodat het woord douane op alle door hen geplaatste tekens in dezelfde taal voorkomt.
Dit teken mag ook worden gebruikt om bestuurders ervan in kennis te stellen dat stoppen om andere redenen verplicht is; in dit geval dient het woord douane te worden vervangen door een ander kort opschrift dat de reden voor het verplichte stoppen aangeeft.

Einde van verboden of beperkingen

F8

Het punt waar alle verboden ophouden die door verbodstekens zijn aangeduid ten aanzien van rijdende voertuigen, dient te worden aangegeven door het bord als F8 – einde van alle plaatselijke verboden voor rijdende voertuigen.  Dit teken dient rond te zijn met een wit of geel vlak; het mag geen rand hebben ofwel alleen een smalle zwarte lijst en dient een schuine band te tonen, van rechts boven naar links onder, die zwart of grijs mag zijn of die kan bestaan uit zwarte of grijze evenwijdig lopende strepen.

A2

F2

F4

F8

Het punt waar een bepaald verbod of een bepaalde beperking voor rijdende voertuigen ophoudt, dient te worden aangegeven door het bord als:

  • A2 – einde snelheidsbeperking of
  • F2 – einde inhaalverbod of
  • F4  – einde inhaalverbod voor vrachtvoertuigen.

Deze tekens dienen gelijk te zijn aan het bord als F8 maar dienen bovendien, in lichtgrijs, het symbool te tonen van het verbod of de beperking waaraan hier een eind is gekomen. De tekens als bedoeld, kunnen worden aangebracht aan de achterkant van de tekens die het verbod of de beperking aanduiden en die zijn bedoeld voor het verkeer in tegengestelde richting.

Verbod of beperking om stil te staan of te parkeren

E1

Plaatsen waar parkeren is verboden, dienen te worden aangeduid door het bord als E1 – parkeerverbod.

 

E2

Plaatsen waar stilstaan en parkeren is verboden, dienen te worden aangeduid door het bord als E2 – stilstaan en parkeren verboden.

Teken E1 kan worden vervangen door een rond teken met een rode rand en een schuine rode baan, met de letter of het beeld dat in de betrokken staat parkeren betekent, en wel in zwart op een wit of geel vlak. De omvang van het verbod kan worden beperkt door een opschrift op het onderbord dat aangeeft, al naar gelang van het geval:
De dagen van de week of van de maand, of de uren van de dag waarvoor het verbod geldt;
De tijdsduur waarna parkeren is verboden door teken E1, of de tijdsduur waarna stilstaan en parkeren is verboden door teken E2;
De uitzonderingen voor bepaalde groepen weggebruikers.
De tijd waarna parkeren of stilstaan is verboden kan ook worden aangegeven op het onderste deel van de rode cirkel van het teken in plaats van op een onderbord.

Beurtelings parkeren

C20a

Waar parkeren beurtelings aan een van beide zijden van de weg is toegestaan, dienen tekens C,20a en C,20b – beurtelings parkeren te worden gebruikt in plaats van teken E1 (in Nederland aangegeven door een onderbord aan de zijde van de weg waarop de beperking van toepassing is)

C20b

Het parkeerverbod dient van toepassing te zijn aan de zijde van het teken C,20a op de oneven dagen van de maand en aan de zijde van teken C,20b op de even dagen van de maand; het tijdstip waarop van zijde wordt gewisseld, dient door de nationale wetgeving te worden voorgeschreven en behoeft niet middernacht te zijn.

De nationale wetgeving kan ook een andere beurtelingse parkeerregeling voorschrijven dan de dagelijkse; in dit geval dienen de cijfers I en II te worden vervangen door de perioden die de beurten aanduiden, bijvoorbeeld 1–15 en 16–31 voor een parkeerwisseling op de eerste en de zestiende van elke maand.

E1

Teken E1 kan worden gebruikt door Staten die het bord als E2, C20a en C,20b niet hebben aangenomen, met daaraan toegevoegd extra opschriften.

Uitgezonderd in bijzondere gevallen, dienen de tekens zo te worden geplaatst dat het bord haaks staat op de as van de weg, ofwel met een kleine hoek op het vlak dat haaks op die as staat.

Alle parkeerverboden en -beperkingen dienen alleen van toepassing te zijn aan de zijde van de rijbaan waar de tekens zijn geplaatst.

Strekking van het verbod
De verbodsbepalingen zijn van toepassing vanaf het punt waar het teken is geplaatst tot het eerstvolgende punt waar een aansluiting van een weg is, behalve wanneer iets anders is aangeduid, hetzij op een onderbord met een afstandsaanduiding.

Een onderbord met een zwarte pijl en een eventuele afstandsaanduiding kan onder het bord worden geplaatst op het punt waar het verbod begint. Een onderbord kan onder de tekens worden geplaatst die het verbod herhalen. Op het punt waar het bord ophoudt van toepassing te zijn kan nogmaals een verbodsteken worden geplaatst, met een onderbord. De onderborden dienen zo te worden geplaatst, dat zij parallel lopen met de as van de weg of dat zij haaks staan op de as van de weg, afhankelijk van het model van het onderbord. Indien afstanden zijn aangegeven op de onderborden dienen deze betrekking te hebben op de afstand waarvoor het verbod nog van toepassing is in de richting van de pijl.
Indien het bord ophoudt van toepassing te zijn vóór de eerstvolgende aansluiting van een weg, dient het teken zo te worden geplaatst, voorzien van een onderbord waarop het einde van het verbod is aangeduid.

H3

Waar het bord echter slechts over een korte afstand van toepassing is, is het toegestaan slechts één teken te plaatsen: dat in de rode cirkel de afstand aangeeft waarop het van toepassing is, of dat een onderbord H,3 heeft.

Waar parkeermeters zijn geïnstalleerd, wordt hun aanwezigheid geacht aan te geven dat parkeren is toegestaan tegen betaling en dat de duur is beperkt tot die welke de meter aanwijst.

Gebodstekens
Algemene kenmerken en symbolen

C22

Gebodstekens dienen rond te zijn, behoudens het bord als C22, die rechthoekig dienen te zijn; hun diameter dient ten minste 60 cm te zijn buiten de bebouwde kom en ten minste 40 cm binnen de bebouwde kom. Tekens met een diameter van ten minste 30 cm mogen echter wel worden gebruikt samen met verkeerslichten of op verkeerszuilen op verkeerseilanden.
Tenzij anders bepaald, dienen deze tekens blauw te zijn met witte symbolen of met symbolen in een lichte kleur, ofwel dienen de tekens wit te zijn met een rode rand en de symbolen zwart.

Verplichte rijrichting

D4

D5

D6

D7

De richting die voertuigen verplicht zijn te volgen, of de enige richting(en) die zij mogen volgen, dienen te worden aangegeven door de borden als D4 tot en met D7 – verplichte rijrichting. waarop de pijl of pijlen dienen te staan die in de desbetreffende richting of richtingen wijzen.
In plaats van de borden D4 tot en met D7, kan echter ook een rechthoekig bord met een pijl worden gebruikt. Het bord dient zwart te zijn met een witte rand en een wit symbool.

Aan deze zijde passeren

D2

Het bord als teken D2 – aan deze zijde passeren, dat op een verkeerseiland of vóór een belemmering op de rijbaan is geplaatst, betekent dat voertuigen het verkeerseiland of de belemmering moeten passeren aan de zijde die door de pijl is aangegeven.

Verplichte rijrichting op verkeersplein

D1

Bord als D1 – verplichte rijrichting op verkeersplein /rotonde stelt bestuurders ervan in kennis dat zij op het verkeersplein de richting moeten aanhouden die door de pijlen wordt aangegeven. Indien het verkeersplein wordt aangeduid door het bord als D1 tezamen met het bord als B6 of B7, dan heeft de bestuurder op het verkeersplein voorrang.

B6

B7

Verplicht fietspad

G11

Het bord als G11 – verplicht fietspad stelt fietsers ervan in kennis dat het fietspad aan het begin waarvan het teken is geplaatst voor hen bestemd is, en stelt bestuurders van andere voertuigen ervan in kennis dat zij geen gebruik mogen maken van het fietspad. Fietsers moeten het verplichte fietspad gebruiken wanneer dit langs een rijbaan, voetpad of ruiterpad ligt en in dezelfde richting voert.

G12a

Van bestuurders van bromfietsen kan, op dezelfde voorwaarden, echter ook worden verlangd dat zij het fietspad gebruiken indien de nationale wetgeving daarin voorziet of indien deze eis kenbaar is gemaakt door een onderbord met een opschrift of met het symbool van het bord als C12a.

Verplicht voetpad

G7

Bord als G7 – verplicht voetpad, stelt voetgangers in kennis dat het pad aan het begin waarvan het teken is geplaatst voor hen bestemd is, en stelt andere weggebruikers ervan in kennis dat zij geen gebruik mogen maken van het voetpad. Voetgangers moeten het verplichte voetpad gebruiken wanneer dit langs een rijbaan, fietspad of ruiterpad ligt en in dezelfde richting voert.

Verplicht ruiterpad

G9

Het bord als G9 – verplicht ruiterpad stelt ruiters ervan in kennis dat het pad aan het begin waarvan het teken is geplaatst voor hen bestemd is, en stelt andere weggebruikers ervan in kennis dat zij geen gebruik mogen maken van het ruiterpad. Ruiters moeten het verplichte ruiterpad gebruiken wanneer dit langs een rijbaan, fietspad of voetpad ligt en in dezelfde richting voert.

D7

Verplichte minimumsnelheid
Bord D7 – verplichte minimumsnelheid (n.v.t. in Nederland)  betekent dat voertuigen gebruik makend van de weg aan het begin waarvan het teken is geplaatst niet langzamer mogen rijden dan de snelheid die op het teken is aangegeven; het cijfer op het teken dient de minimumsnelheid uit te drukken in de meeteenheid van het stelsel dat in het betrokken land gewoonlijk wordt gebruikt om er de snelheid van voertuigen in uit te drukken. Achter het cijfer dat de snelheid aangeeft kan bijvoorbeeld ,km’ (kilometer) of ,m’ (mijl) worden toegevoegd.

D8

Bord D8 – einde verplichte minimumsnelheid  (n.v.t. in Nederland) betekent dat de verplichte minimumsnelheid die is voorgeschreven door het bord als D7 niet langer van kracht is. Teken D8 dient gelijk te zijn aan teken D7, behalve dat er een schuine rode band over dient te lopen, van rechts boven naar links onder.

Sneeuwketting verplicht

D9

Teken D,9 – sneeuwkettingen verplicht (n.v.t. In Nederland) betekent dat op voertuigen aan het begin van de weg waar dit teken is geplaatst sneeuwkettingen dienen te worden aangebracht op ten minste twee van de aangedreven wielen.

Verplichte rijrichting voor voertuigen die gevaarlijke stoffen vervoeren

D10a

D10b

D10c

 

K14

Tekens D,10a, D,10b en D,10c  (in Nederland als K14) worden gebruikt om aan te geven welke richting voertuigen moeten volgen die gevaarlijke stoffen vervoeren.

Opmerking betreffende de combinatie van de borden G7, G9 en G11

G7

G9

G11

Om aan te geven dat een pad bestemd is voor het gebruik door twee categorieën weggebruikers en verboden is voor overige weggebruikers, dient een gebodsteken te worden gebruikt waarop de twee symbolen zijn aangebracht voor de weggebruikers die het pad, aan het begin waarvan het teken is geplaatst, mogen gebruiken.
In het geval dat de symbolen naast elkaar op het teken zijn geplaatst en zijn gescheiden door een verticale lijn door het midden van het teken, houdt elk symbool voor de desbetreffende categorie in dat het gedeelte van het pad moet worden gebruikt dat voor die categorie is bestemd, en voor de andere weggebruikers dat zij zich hierop niet mogen begeven; de twee gedeelten van het pad dienen duidelijk te worden gescheiden door middel van bebakening of markering.
In het geval dat de symbolen onder elkaar zijn geplaatst, houdt het teken voor de desbetreffende categorieën weggebruikers in dat zij het pad gezamenlijk mogen gebruiken. De volgorde van de symbolen is facultatief. In de nationale wetgeving kan indien nodig worden geregeld op welke wijze de gezamenlijke gebruikers met elkaar rekening moeten houden.

D11a

Teken D,11a is een voorbeeld van de combinatie van de borden als G7 en G11.

 

Tekens die een bijzonder voorschrift inhouden
Algemene kenmerken en symbolen

  • Tekens die een bijzonder voorschrift inhouden zijn gewoonlijk vierkant of rechthoekig met een blauw vlak en een lichtgekleurd symbool of opschrift, dan wel met een wit gekleurd vlak en een donkergekleurd symbool of opschrift.
  • Tekens die een bepaald voorschrift of gevaar inhouden en op één of meer rijstroken van toepassing zijn.

Tekens zoals hieronder genoemd geven aan dat een bepaald voorschrift of een waarschuwing voor gevaar slechts geldt voor een of meer rijstroken, aangegeven door een lengtemarkering, op een rijbaan bestaande uit meerdere rijstroken voor verkeer in dezelfde richting. Deze tekens kunnen ook aangeven dat rijstroken worden gebruikt door verkeer in tegengestelde richting. Het teken dat betrekking heeft op het voorschrift of de waarschuwing voor gevaar moet op elk van de gebruikte pijlen worden aangebracht:

In Nederland als bord L7, L11 en L12

L7

L11

L12


Borden als in het verdrag van Wenen

E1a

E1b

E1c

 

  • E,1a – verplichte minimumsnelheid voor verschillende rijstroken.
  • E,1b – verplichte minimumsnelheid voor één rijstrook.  Dit teken kan worden gebruikt voor het creëren van een ,kruipstrook’.
  • E,1c – snelheidsbeperking voor verschillende rijstroken. De randen van de cirkels moeten rood zijn en de cijfers zwart.

Tekens die een strook voor het openbaar vervoer bussen aangeven
(in Nederland busbaan, busstrook, delen vluchtstrook)

E2b

E2b

Tekens zoals E,2a en E,2b zijn voorbeelden van tekens die de positie van de rijstrook aangeven die is voorbehouden aan bussen.

Teken éénrichtingsweg
Er kunnen twee verschillende tekens éénrichtingsweg  worden geplaatst wanneer het noodzakelijk wordt geacht aan te geven dat op een weg of rijbaan het verkeer zich in één richting begeeft:

C3

Het bord als C3, dat ongeveer haaks op de as van de weg of rijbaan dient te worden geplaatst; dit bord dient vierkant te zijn.

C4

Het bord als C4, dat ongeveer parallel met de as van de rijbaan dient te worden geplaatst; dit bord dient een langwerpige rechthoek te zijn waarvan de lange zijde horizontaal is. Op de pijl van teken C4 kunnen in de landstaal of in een van de landstalen van het betrokken land de woorden ,één richting’ worden aangebracht.

De borden als C3 en C4 kunnen worden geplaatst ongeacht of bij het begin van de weg in kwestie verbods- of gebodstekens zijn geplaatst.

Voorsorteertekens

L4

Voorbeeld van een voorsorteringsteken bij een kruising op wegen met verschillende rijstroken: bord als L4.

Tekens die het begin of het einde van een autosnelweg aangeven

G1

Het bord als G1 – autosnelweg dient te worden geplaatst op het punt waar de bijzondere regels die op een autosnelweg in acht dienen te worden genomen, van toepassing worden.

 

G2

Het bord als G2 – einde autosnelweg dient te worden geplaatst op het punt waar deze regels niet meer van toepassing zijn.

Het bord G2 kan ook worden gebruikt en herhaald om te waarschuwen voor het einde van de autosnelweg; de afstand tussen elk teken dat voor dit doel is geplaatst en het einde van de autosnelweg dient op het onderste deel van het bord te zijn aangegeven. Deze tekens dienen een blauw of groen vlak te hebben.

Tekens die het begin of het einde van een bebouwde kom aangeven

H1

Op het teken waarmee het begin van een bebouwde kom wordt aangegeven, dient de naam van de bebouwde kom of het symbool met het silhouet van een bebouwde kom te worden aangebracht, of beide.

E7b

Het bord als H1 of E7b zijn een voorbeeld waarmee het begin van een bebouwde kom wordt aangegeven.

 

H2

Het teken waarmee het einde van een bebouwde kom wordt aangegeven, dient identiek te zijn, behalve dat er een schuine roodgekleurde baan of parallel lopende roodgekleurde lijnen van de hoek rechtsboven naar de hoek linksonder lopen.

E8b

Het bord als H2 of E8b kan worden aangebracht op de achterkant van het bord dat het begin van een bebouwde kom aangeeft.

Tekens die zonale geldigheid hebben
Begin van een zone
Om aan te geven dat een teken van toepassing is op alle wegen in een bepaalde zone (zonale geldigheid), dient het teken te worden weergegeven op een rechthoekig bord met een lichtgekleurd vlak. Het woord ZONE of het equivalent daarvan in de landstaal kan boven of onder het teken op het bord worden aangebracht.

Bijzondere details betreffende de beperkingen, verboden of geboden die door het teken worden aangeduid, kunnen onder het teken op het bord of op een onderbord worden aangebracht.
Tekens die van toepassing zijn op alle wegen in een bepaalde zone (zonale geldigheid) dienen te worden geplaatst op alle wegen die tot de desbetreffende zone toegang geven. De zone dient bij voorkeur alleen wegen te omvatten die soortgelijke eigenschappen hebben.

E10

E11

Borden als E10 en E11 met zone-aanduiding zijn voorbeelden van tekens die van toepassing zijn op alle wegen in een bepaalde zone (zonale geldigheid), evenals:

E9a

E9b

E9d

E,9a – zone waarin parkeren verboden is.
E,9b – zone waarin parkeren op bepaalde tijden verboden is.
E,9d – zone maximumsnelheid.

Einde van een zone
Om het einde aan te geven van een zone waarin een teken zonale geldigheid heeft, dient hetzelfde teken op een rechthoekig bord te worden geplaatst als dat welke aan het begin van de zone is geplaatst, maar dan in grijs op een rechthoekig bord met een lichtgekleurd vlak. Een zwarte of donkergrijze diagonale band of parallel lopende grijze of zwarte lijnen die een band vormen, dienen van rechts boven naar links onder over het bord te lopen.
Tekens die het einde van een zone aangeven, dienen te worden geplaatst op alle wegen die kunnen worden gebruikt om de zone te verlaten.

Tekens die het begin of het einde aangeven van een tunnel waarin bijzondere regels van toepassing zijn

L13

Bord als L13 – tunnel duidt een wegtracé aan dat door een tunnel gaat en waarop bijzondere verkeersregels van toepassing zijn. Het teken wordt geplaatst op het punt van waar deze regels van toepassing zijn.
Teneinde weggebruikers van tevoren te waarschuwen, kan het bord L13 aaanvullend op een geschikte afstand vóór het punt van waar de bijzondere regels van toepassing zijn, worden geplaatst; op een dergelijk teken moet in het onderste gedeelte ervan, of op een onderbord, de afstand worden vermeld tussen het punt waarop het is geplaatst en het punt van waar deze bijzondere regels van toepassing zijn.
Het bord – einde tunnel kan worden geplaatst op het punt van waar de bijzondere regels niet langer van toepassing zijn.

Teken voetgangersoversteekplaats

L2

Het bord als L2 – voetgangersoversteekplaats wordt gebruikt om voetgangers en bestuurders de plaats aan te duiden van een voetgangersoversteekplaats. Het bord dient een blauw of zwart vlak te hebben, met een witte of

E12b

gele driehoek en een zwart of donkerblauw symbool; het symbool dat hiervoor wordt gebruikt dient een symbool van een voetganger te zijn.

E12c

Teken E,12b is een ongelijkzijdige vijfhoek met een blauw vlak en een wit symbool, of teken E,12c, met een donker vlak en een wit symbool, mag echter ook worden gebruikt.

Ziekenhuisteken

E13a

Dit teken dient te worden gebruikt om bestuurders van voertuigen ervan in kennis te stellen dat zij de nodige voorzorgen dienen te nemen die vereist zijn in de nabijheid van ziekenhuizen, en vooral, dat zij geen

E13b

onnodig lawaai maken. Van dit teken bestaan twee modellen: E,13a en E,13b.

Het teken parkeergelegenheid

E4

Het bord als E4 – parkeergelegenheid, dat zo kan worden geplaatst dat het bord parallel loopt met de as van de weg, dient de plaatsen aan te geven waar parkeren van voertuigen is toegestaan. Dit bord dient vierkant te zijn. Het dient de letter of het beeld te tonen dat in de betrokken Staat parkeren betekent. De ondergrond van dit teken dient blauw te zijn.
De richting waarin de parkeergelegenheid ligt of de categorieën voertuigen waarvoor deze is bestemd, mogen op het teken zelf of op een onderbord worden aangegeven.

Dergelijke opschriften kunnen ook een beperking aanduiden van de periode waarin parkeren is toegestaan of aangeven dat openbaar vervoer vanaf de parkeergelegenheid bereikbaar is, door middel van een ,+ teken’ gevolgd door een indicatie van het type vervoer, in de vorm van woorden of symbolen.

E12

Het borden als E12 is een voorbeelden van tekens die kunnen worden gebruikt om een parkeergelegenheid aan te geven die meer in het bijzonder bedoeld is voor voertuigen waarvan de bestuurders van een openbaar vervoermiddel gebruik wensen te maken.

Tekens die een bushalte of tramhalte aangeven
Als bord L3b -bushalte, L3c – tramhalte en L3a – bus- en tramhalte.

L3b

L3c

L3a

 

Tekens die een stopplaats in geval van nood of gevaar aangeven

L14

L15

Het bord als L14 – noodstopplaats geeft een plaats aan die uitsluitend door bestuurders mag worden gebruikt om te stoppen of te parkeren in geval van nood of gevaar. Dit teken kan ook bestaan als bord L15.

L16

L17

Indien deze stopplaats is voorzien van een noodtelefoon en/of brandblusapparaat, is het teken voorzien van symbolen als de borden L16 en/of L17 in het onderste gedeelte ervan of op een rechthoekig bord onder het teken.

Tekens betreffende informatie, voorzieningen of diensten
Algemene kenmerken en symbolen:
De tekens op deze borden hebben een blauw of groen vlak; hierop dient een witte of gele rechthoek te zijn aangebracht waarop het symbool dient te worden afgebeeld.
Op de blauwe of groene band aan de onderzijde van het teken kan de afstand tot de aangeduide voorziening, of tot het begin van de weg die daarheen leidt, in wit worden aangegeven; op het teken dat een symbool toont, kan op dezelfde wijze worden aangegeven. Deze tekens kunnen ook worden geplaatst bij het begin van de weg die naar de voorziening leidt; ze kunnen dan een witte richtingspijl tonen op het blauwe of groene onderste deel van het bord.

L17

L18

L16

Het symbool dient zwart of donkerblauw te zijn, behalve symbolen met betrekking tot de aanduiding ziekenhuis (rode kruis) of het bord als L17 of L18, die rood dienen te zijn. Het symbool als op bord L16 mag rood zijn.

Symbool Eerstehulppost
De symbolen die in de betrokken Staten de eerstehulpposten aanduiden, dienen hiervoor gebruikt te worden. De symbolen dienen rood te zijn. Voorbeelden hiervan zijn F,1a, F,1b en F,1c.

F1a

F1b

F1c

 

Diverse, overige symbolen

F2

 

F3

F4

F5

 

  • F,2 – reparatiepost.
  • F,3 – telefoon.
  • F,4 – benzinepomp.
  • F,5 – hotel of motel.

F6

F7

F8

F9

F10

 

  • F,6 – restaurant.
  • F,7 – cafe of cafetaria.
  • F,8 – picknickterrein.
  • F,9 – beginpunt voor wandelingen.
  • F,10 – kampeerterrein.

F11

F12

F13

F14

 

  • F,11 – kampeerwagenterrein.
  • F,12 – kampeer- en kampeerwagenterrein.
  • F,13 – jeugdherberg.
  • F,14 – noodtelefoon.
  • F,15 – brandblusapparaat.

Tekens die een richting aangeven of een bebakening of aanduiding inhouden
Algemene kenmerken en symbolen
Informatieve tekens zijn gewoonlijk rechthoekig; richtingstekens kunnen echter de vorm hebben van een langwerpige rechthoek, waarvan de lange zijde horizontaal is en in een pijlpunt uitloopt.

Op informatieve tekens dienen de symbolen of opschriften in wit of in een lichte kleur te worden aangebracht op een donker vlak, dan wel in een donkere kleur op een wit of lichtgekleurd vlak; rood mag slechts bij uitzondering worden gebruikt en mag nooit domineren.

 

G1

Op vooraanduidingstekens of richtingstekens die betrekking hebben op autosnelwegen of wegen die als autosnelwegen worden beschouwd, dienen de symbolen of opschriften in wit te worden aangebracht op een blauw of groen vlak. Op dergelijke tekens kunnen de symbolen

G3

die worden gebruikt op de tekens als G1 en G3 op verkleinde schaal worden weergegeven.

 

Tekens bij wegwerkzaamheden en omleidingen
Tekens die tijdelijke omstandigheden zoals wegwerkzaamheden of omleidingen aanduiden, mogen een oranje of geel vlak hebben met zwarte symbolen en opschriften.

 f.jpg  k.jpg  s.jpg n.jpg  o.jpg

Aanbevolen wordt om op de bewegwijzeringsbordenborden de naam van de aangegeven plaats weer te geven in de taal van het land of het landsdeel waarin genoemde plaats zich bevindt.

Vooraanduidingstekens
Voor algemeen gebruik:
Voorbeelden van vooraanduidingsborden als de borden: K2, K5, K10 en K11.

K2

K5

K10

K11

Bijzondere gevallen
Voorbeelden van vooraanduidingstekens voor een doodlopende weg: als de borden L8 en L9.

L8

L9

 

G3

Voorbeeld van een vooraanduidingsteken voor een weg die moet worden gevolgd teneinde links af te slaan, wanneer links afslaan bij het volgende kruispunt verboden is: G,3.

NOOT: Op vooraanduidingstekens als de borden L8 en L9 mogen de symbolen worden aangebracht die worden gebruikt op andere tekens die de weggebruiker informatie geven omtrent de kenmerken van de weg of de verkeersomstandigheden.

Richtingstekens
Voorbeelden van tekens die de richting naar een plaats aangeven: als de borden K6, K7 en K8.

K6

K7

K8

Voorbeelden van tekens die de richting naar een vliegveld aangeven: G,6a, G,6b en G,6c

G6a

G6b

G6c

K2

(in Nederland aangegeven op beslissingswegwijzers of voorwegwijzers: als bijvoorbeeld K2 )

G7

G8

Teken G,7 geeft de richting aan naar een kampeerterrein.
Teken G,8 geeft de richting aan naar een jeugdherberg.

G9a

G9b

Voorbeelden van tekens die de richting naar een parkeer-gelegenheid aangeven die meer in het bijzonder bedoeld is voor voertuigen waarvan de bestuurders van een openbaar vervoermiddel gebruik wensen te maken: G,9a en G,9b. Het type openbaar vervoer kan door middel van een opschrift of symbool op het teken worden aangegeven.

NOOT: Op richtingstekens die een plaats of specifieke bestemming aangeven, mogen de symbolen worden aangebracht die worden gebruikt op andere tekens die de weggebruiker informatie geven omtrent de kenmerken van de weg of de verkeersomstandigheden.

Bevestigingstekens

G10

Teken G,10 is een voorbeeld van een bevestigingsteken.
Dit teken kan worden aangebracht aan de achterzijde van een ander teken dat is bedoeld voor het verkeer in tegengestelde richting.

Tekens die het aantal rijstroken en de richting hiervan aanduiden

L5

L6

L7

C23-01

C23-02

De borden als L5, L6, L7 en C23-01 / 02 dienen te worden gebruikt om bestuurders in kennis te stellen van het aantal rijstroken en de richting hiervan. De tekens moeten hetzelfde aantal pijlen bevatten als het aantal rijstroken dat is bestemd voor verkeer in dezelfde richting; de tekens kunnen ook rijstroken aanduiden die zijn bestemd voor verkeer in de tegengestelde richting.

Tekens die aanduiden dat een rijstrook is gesloten

C23-02

C23-03

De borden als C23-02 en C23-03 wijzen bestuurders erop dat een rijstrook vrijgemaakt dient te worden of is gesloten.

Teken doodlopende weg

L8

Het bord als L8 – doodlopende weg, geplaatst aan het begin van een weg, geeft aan dat de weg doodloopt.

 

G14

Teken algemene snelheidsbeperkingen
Teken G,14 – algemene snelheidsbeperking dient te worden gebruikt, in het bijzonder bij de landsgrenzen, om de geldende maximumsnelheid in een land of een bestuurlijk onderdeel daarvan aan te duiden. De naam of het onderscheidingsteken van het land, eventueel voorzien van het nationale embleem, dient bovenaan het teken te worden geplaatst. Op het teken dienen de algemene snelheidsbeperkingen die in een land van kracht zijn in de volgende volgorde te worden aangebracht:

  • binnen de bebouwde kom.
  • buiten de bebouwde kom.
  • op autosnelwegen.
G3

Indien van toepassing kan het symbool van het bord als G3 – autoweg worden gebruikt om de algemene snelheidsbeperking aan te geven op wegen voor motorvoertuigen. De rand van het teken en het bovenste deel daarvan zijn blauw; de landnaam en het vlak van de drie vierkanten zijn wit. De symbolen in het bovenste en middelste vierkant zijn zwart en door het symbool in het middelste vierkant loopt een schuine rode streep.

Teken voor weg, geopend of gesloten
(n.v.t. Voor Nederland)

G15

Teken G,15 – weg geopend of gesloten dient te worden gebruikt om aan te duiden of een bergweg, en speciaal een weggedeelte dat over een pas loopt, voor het verkeer is geopend of gesloten; het teken dient te worden geplaatst bij het begin van de weg of wegen die naar het betrokken weggedeelte leidt (leiden).
De naam van het weggedeelte (of van de pas) dient met witte letters te worden aangegeven. Op het voorbeeld is de naam ,Furka’ gebruikt.

  • De panelen 1, 2 en 3 dienen te kunnen worden verwijderd.
    Indien het weggedeelte is gesloten, dient paneel 1 rood te zijn en het opschrift GESLOTEN te dragen; indien het weggedeelte open is, dient paneel 1 groen te zijn en het opschrift GEOPEND te dragen. De opschriften dienen met witte letters te zijn aangebracht, en liefst in verschillende talen.
  • De panelen 2 en 3 dienen wit te zijn met zwarte opschriften en symbolen.G16

    D9

    G16

    Indien het weggedeelte geopend is, dient paneel 3 leeg te blijven en paneel 2 dient, al naar gelang van de toestand van de weg, leeg te zijn dan wel teken D,9 – sneeuwkettingen verplicht of symbool G,16 – kettingen of sneeuwbanden aanbevolen te tonen. Dit symbool dient zwart te zijn.

  • Indien het weggedeelte geopend is, dient op paneel 3 de naam van de plaats te staan tot waar de weg geopend is en paneel 2 dient, naar gelang de toestand van de weg, het opschrift GEOPEND TOT dan wel symbool G,16 of teken D,9 te tonen.

Adviessnelheid

A4

Het bord als A4 – adviessnelheid dient te worden gebruikt om de geadviseerde snelheid aan te duiden indien de omstandigheden dit toestaan en de bestuurder niet wordt geacht een voor zijn voertuig geldende lagere maximum snelheid aan te houden. Het cijfer of de reeks cijfers op het teken dienen de snelheid aan te geven in de meeteenheid van het stelsel dat in het betrokken land gewoonlijk wordt gebruikt om de snelheid van voertuigen in uit te drukken. De meeteenheid mag op het teken worden aangegeven.

Teken dat een aanbevolen route aanduidt voor zware voertuigen

G18

G,18 – aanbevolen route voor zware voertuigen.

Teken dat een noodspoor aanduidt

G19

Teken G,19 – noodspoor dient te worden gebruikt om een noodspoor aan te geven op een steile helling. Dit teken, voorzien van een bord dat de afstand tot het noodspoor aanduidt, dient te worden geplaatst in combinatie met een bord als J6 bovenaan de helling, daar waar de gevarenzone begint en bij de ingang van het noodspoor. Al naar gelang van de lengte van de helling dient het teken waar nodig te worden herhaald, en ook hier te worden voorzien van een bord dat de afstand aanduidt.
Het symbool kan variëren overeenkomstig de ligging van het noodspoor in verhouding tot de desbetreffende weg.

Tekens die een voetgangersbrug of voetgangerstunnel aanduiden

G20

Teken G,20 wordt gebruikt om een voetgangersbrug of voetgangerstunnel aan te duiden.
Teken G,21 wordt gebruikt om een brug of tunnel zonder treden aan te duiden. Het teken voor gehandicapten mag

G21

op dit teken tevens worden gebruikt.

 

Tekens die een afrit van een autosnelweg aangeven (voorwegwijzers)

a

 

b

c

Tekens G,22a, G,22b en G,22c zijn voorbeelden van voor-aanduidingstekens (voorwegwijzers) om een afrit van een autosnelweg aan te geven. Op deze tekens dient een aanduiding van de afstand tot aan de afrit te staan, overeenkomstig de nationale wetgeving; tekens met respectievelijk een en twee schuine banen worden geplaatst op eenderde en tweederde van de afstand tussen het teken met drie schuine banen en de afrit van de autosnelweg.

Tekens die nooduitgangen aanduiden

G23a

G24a

G24b

G24c

G23b
L19

Borden als L19 duiden de plaats van nooduitgangen aan. Zijn voorbeelden van tekens voor de aanduiding van de richting en afstand van de dichtstbijzijnde nooduitgangen. In tunnels dienen deze op een afstand van ten hoogste 50 m uit elkaar en op een hoogte van 1 à 1,5 m op de zijmuren te worden aangebracht. De borden hebben een groene achtergrond en de symbolen, pijlen en afstandsaanduidingen zijn wit of licht van kleur.

Onderborden
Deze borden hebben hetzij een wit of geel vlak met een zwarte, donkerblauwe of rode rand, waarbij de afstand of lengte of het symbool in zwart of donkerblauw worden aangebracht, hetzij een zwart of donkerblauw vlak met een witte, gele of rode rand, waarbij de afstand of lengte of het symbool in wit of geel worden aangebracht.

H1

H2

B1

De onderborden H,1 duiden de afstand aan tussen het teken en het begin van het gevaarlijke weggedeelte of van de zone waarop het voorschrift van toepassing is.
De onderborden H,2 duiden de lengte aan van het gevaarlijke weggedeelte of van de zone waarop het voorschrift van toepassing is.
De onderborden worden geplaatst onder de tekens.
Bij gevaarstekens als model B1 mag de op de onderborden te verstrekken informatie evenwel worden aangebracht op het onderste gedeelte van het teken.

H3a

H3b

H3c

 

a

b

c

De onderborden, betreffende parkeerverboden of -beperkingen zijn de modellen H,3a, H,3b en H,4c, respectievelijk H,4a, H,4b en H,4c.

Onderborden specifieke categorie weggebruikers

H5a

H5b

De toepassing van tekens die een bepaald voorschrift inhouden kan worden beperkt tot een specifieke categorie weggebruikers door middel van plaatsing van het symbool van de desbetreffende categorie. Bijvoorbeeld H,5a en H,5b.

Ingeval het teken dat een bepaald voorschrift inhoudt op een bepaalde categorie weggebruikers niet van toepassing is, wordt zulks aangegeven door middel van het symbool van de bedoelde categorie en het woord ,uitgezonderd’, in de taal van het desbetreffende land.

H6

H7

C18

E14

Bijvoorbeeld: H6. Indien nodig mag het symbool worden vervangen door een opschrift in de landstaal. Om aan te duiden dat parkeerplaatsen zijn voorbehouden aan gehandicapten, wordt bord H,7 gebruikt in combinatie met tekens C,18 of E,14.

H8

B1

B2

Het onderbord als H,8 toont een diagram van de kruising waarop brede stroken voorrangswegen aanduiden en smalle stroken de wegen waarlangs tekens als B,1 of B,2 zijn geplaatst.

 

H9

Om aan te duiden dat het komende weggedeelte glad is vanwege ijzel of sneeuw, wordt onderbord H,9 gebruikt.

Noot: in landen waar het verkeer links houdt, worden de tekens en/of symbolen naar gebruik in spiegelbeeld aangebracht.

Op de weg aangebrachte tekens
Algemeen
Tekens op het wegdek dienen van anti-slipmateriaal te zijn en mogen ten hoogste 6 mm uitsteken boven het wegdek van de rijbaan. Wegspijkers en dergelijke voorwerpen die worden gebruikt om tekens op het wegdek aan te geven mogen ten hoogste 1,5 cm boven het wegdek van de rijbaan uitsteken (of ten hoogste 2,5 cm in het geval van wegspijkers die reflectoren bevatten); deze dienen te worden gebruikt overeenkomstig de eisen van de verkeersveiligheid.

Tekens in de lengterichting van de weg

Doorgetrokken strepen
De breedte van doorgetrokken of onderbroken strepen die worden gebruikt voor tekens in de lengterichting van de weg dient ten minste 10 cm te zijn. De afstand tussen twee naast elkaar lopende strepen in de lengterichting (dubbele streep) dient ten minste 10 cm en ten hoogste 18 cm te bedragen.

Onderbroken strepen
Een onderbroken streep dient te bestaan uit korte strepen van gelijke lengte, onderbroken door telkens gelijke open stukken. Bij het bepalen van de lengte van de korte strepen en van de open stukken daartussen dient rekening te worden gehouden met de snelheid van de voertuigen op het desbetreffende weggedeelte of in het desbetreffende gebied.

Buiten bebouwde kom
Buiten de bebouwde kom dient een onderbroken streep te bestaan uit korte strepen die ten minste 2 m en ten hoogste 10 m lang zijn. De lengte van de korte strepen die de waarschuwingsstreep vormen zoals bedoeld in paragraaf 23 van deze Bijlage, dient twee- tot driemaal zo groot te zijn als de lengte van de onderbrekingen.

Binnen bebouwde kom
Binnen de bebouwde kom dienen de lengte van de korte strepen en de lengte van onderbrekingen kleiner te zijn dan buiten de bebouwde kom. De korte strepen kunnen hier worden teruggebracht tot een lengte van 1 m. Op bepaalde hoofdverkeerswegen in steden waar de snelheid van het verkeer groot is, kunnen de afmetingen van de korte strepen en van de onderbrekingen gelijk zijn aan die welke gelden buiten de bebouwde kom.

Tekens die rijstroken aangeven
Rijstroken dienen te worden aangegeven door onderbroken strepen, door doorgetrokken strepen of door andere hiertoe geschikte tekens.

Buiten de bebouwde kom
Op wegen bestemd voor verkeer in beide richtingen met twee rijstroken dient het midden van de rijbaan te zijn aangegeven door een streep in de lengterichting. Onder normale omstandigheden dient dit een onderbroken streep te zijn. Doorgetrokken strepen voor dit doel dienen uitsluitend in bijzondere gevallen te worden aangebracht.

Wegen met drie of meer rijstroken
Op wegen met drie rijstroken dienen de rijstroken op weggedeelten met normaal zicht als regel te worden aangeduid door onderbroken strepen. In bepaalde gevallen en ten einde een grotere verkeers-veiligheid te bevorderen, kunnen doorgetrokken strepen worden gebezigd, of onderbroken strepen vlak naast doorgetrokken strepen.

Op rijbanen met meer dan drie rijstroken, dienen beide verkeersrichtingen van elkaar te zijn gescheiden door één doorgetrokken streep of door twee doorgetrokken strepen, behalve in die gevallen waarin de verkeersrichting op de binnenste stroken kan worden omgekeerd. Bovendien dienen de rijstroken te worden aangegeven door onderbroken strepen (zie diagrammen 1a en 1b).

1a

1b

Binnen de bebouwde kom
Binnen de bebouwde kom zijn er aanbevelingen voor straten voor verkeer in beide richtingen en voor straten voor verkeer in één richting met ten minste twee rijstroken.

De rijstroken dienen te worden aangegeven daar, waar de breedte van de rijbaan wordt verminderd door trottoirs, vluchtheuvels of verkeersgeleiders.

Toegangswegen
Bij de toegangswegen tot belangrijke kruisingen (speciaal kruisingen waar het verkeer wordt geregeld) en waar de rijbaan voldoende breed is voor twee of meer rijen voertuigen, dienen rijstroken te worden aangegeven volgens diagrammen 2 en 3. In dergelijke gevallen kunnen de strepen die de rijstroken aangeven, worden aangevuld met pijlen.

2

3


Tekens voor bepaalde situaties

Het gebruik van doorgetrokken strepen
Ten einde de verkeersveiligheid te vergroten, dienen de onderbroken strepen in het midden van de rijbaan bij bepaalde kruisingen te worden vervangen of aangevuld door een doorlopende streep.

In gevallen waar het nodig is het gebruik van dat deel van de rijbaan te verbieden, dat bestemd is voor verkeer uit tegengestelde richting daar waar het gezichtsveld is beperkt (heuveltop, bocht in de weg, enz.) of op weggedeelten waar de rijbaan smal is of een andere eigenaardigheid vertoont, dienen beperkingen te worden toegepast voor weggedeelten waar het zicht minder bedraagt dan een zeker minimum, en wel met behulp van een doorgetrokken streep.

Voor nadere/actuele informatie over belijning en toepassing van strepen op het weg dek, raadpleeg: voorschriften, strepen en belijning op de Nederlandse wegen.

Bronnen
Overheid.nl
RVV 1990

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.