Verdrag van Wenen – Verkeersborden en verkeerstekens deel 3

Verkeerstekens –  verdrag van Wenen 1968

Deel 3
In deel 3 van het verdrag van Wenen weergave en beschrijving van de verkeersborden, vergelijkbaar met bijlage 1 van het RVV 1990.

Het betreft een aangepaste weergave met  verwijzing naar de Nederlandse verkeersborden volgens het RVV 1990, bijlage 1.  In deel 2 vindt u algemene informatie over verkeersborden en verkeerstekens.  Voor de originele tekst gaat u naar:  wetten.overheid.nl 

Verkeerstekens

Gevaarstekens – Waarschuwingstekens

J-serie

De tekens A – gevaarstekens, dienen te zijn zoals model J-serie of als model B6 volgens bijlage 1 van het RVV1990 behalve de tekens, geplaatst voor overgangen van railvoertuigen. Model A is een gelijkzijdige driehoek met één zijde horizontaal en met de daartegenover liggende hoek er boven; het vlak is wit of geel en de rand rood.

Model B1 is een vierkant met één diagonaal verticaal; het vlak is geel en de rand, die slechts de omtrek aangeeft, is zwart. Tenzij hun omschrijving anderszins voorschrijft, dienen de symbolen die op deze tekens zijn aangebracht zwart of donkerblauw te zijn.

De zijde van het teken model A van het normale formaat dient ongeveer 90 cm lang te zijn; die van het kleine model A dient ten minste 60 cm lang te zijn. De zijde van het teken B1 van het normale formaat dient ongeveer 60 cm lang te zijn; die van het kleine model B1 dient ten minste 40 cm lang te zijn.

Symbolen voor gevaarstekens en gebruik

Gevaarlijke bocht of bochten.
Een waarschuwing voor een gevaarlijke bocht of een opeenvolging van gevaarlijke bochten dient door een symbool te worden aangegeven. De aanbevolen symbolen zijn die als op de volgende borden getoond.

J3

J2

J5

J4

 

  • J3: bocht naar links
  • J2: bocht naar rechts
  • J5: dubbele bocht, of een opeenvolging van meer dan twee bochten, waarvan de eerste naar links is
  • J4: dubbele bocht, of een opeenvolging van meer dan twee bochten, waarvan de eerste naar rechts is.

Gevaarlijke nederwaartse helling/steile opwaartse helling

J7

Ten einde te waarschuwen voor een steile nederwaartse helling dient het symbool als op J7 te worden gebruikt.

 

J6

Steile opwaartse helling. Ten einde te waarschuwen voor een steile opwaartse helling dient het symbool als op J6 te worden gebruikt.

Het schuine deel van het symbool op de borden J6 en J7 dienen in de hoeken van het bord te staan en de onderkant dient de hele breedte van het bord te beslaan. Het cijfer op symbolen van de borden J6 en J7 geeft de hellingshoek aan in percenten uitgedrukt; dit kan worden vervangen door de verhouding (1:10). De Verdragsluitende Partijen mogen in plaats van het symbool als op bord J6 en J7 ook het symbool van een auto gebruiken.

Versmalling van de rijbaan

J17

J18

J19

De waarschuwing dat de rijbaan verderop smaller wordt, dient te worden gegeven door het symbool op bord J17, of door een symbool dat de begrenzing van de weg duidelijker weergeeft, zoals op de borden J18 en J19

Beweegbare brug

J15

De waarschuwing voor een beweegbare brug dient te worden gegeven door het symbool als op bord J15. (aangevuld met afstandsborden….)

Weg die uitkomt op een kade of rivieroever

J26

De waarschuwing dat de weg even verder uitkomt op een kade of rivieroever dient te worden aangegeven door het symbool als op het bord J26.

Ongelijk wegdek

J1

De waarschuwing voor uithollingen of kuilen, hoge bruggetjes of richels of voor weggedeelten waar de rijbaan zich in slechte toestand bevindt, dient te worden gegeven door het symbool als op bord J1.

J38

Een waarschuwing voor een hoog bruggetje of een richel kan worden gegeven door het symbool als op bord J38, in plaats van door het symbool als het bord J1.

Gevaarlijke berm (in NL niet van toepassing)
De waarschuwing voor een weggedeelte waar de berm uitzonderlijk gevaarlijk is, dient te worden gegeven door een symbool van scheefstaande auto. Het symbool mag in spiegelbeeld worden aangebracht.

Slipgevaar

J20

De waarschuwing dat het komende weggedeelte uitzonderlijk glad kan zijn, dient te worden aangegeven door het symbool als op bord J20.

Opspattend steenslag/steenval

J25

De waarschuwing voor een weggedeelte met opspattend steenslag dient te worden gegeven door het symbool als op bord J25. (of een symbool van rots met vallend gesteente – in Nederland n.v.t)

Voetgangersoversteekplaats

J22

De waarschuwing voor een voetgangersoversteekplaats kunnen worden aangegeven door tekens op het wegdek dan wel door tekens als op de borden J22 of L2 (de

L2

symbolen mogen in spiegelbeeld worden aangebracht)

 

Kinderen

J21

De waarschuwing voor een weggedeelte dat veel door kinderen wordt gebruikt, zoals bij de uitgang van een school of speelplaats, dient te worden gegeven door het symbool als op bord J21 (de symbolen mogen in spiegelbeeld worden aangebracht)

Oversteekplaats fietsers

J24

De waarschuwing dat men een plaats nadert waar fietsers zich dikwijls op de weg begeven of deze oversteken, dient te worden aangegeven door het symbool als op bord J24 (het symbool mag in spiegelbeeld worden aangebracht)

Overstekend vee of wild

J27

De waarschuwing voor een weggedeelte waar dieren plegen over te steken, dient te worden aangegeven door een symbool met het silhouet van het dier, vee of wild, dat men daar het meest op de weg aantreft, zoals het

J28

symbool als op de borden J27 en J28 (de symbolen mogen in spiegelbeeld worden aangebracht)

 

Werk in uitvoering

J16

De waarschuwing dat op het komende weggedeelte werk in uitvoering is, dient te worden gegeven door het symbool als op bord J16.

Verkeerslichten

J32

Indien het onontbeerlijk wordt geacht het verkeer te waarschuwen dat het een weggedeelte nadert waarop het verkeer door verkeerslichten van het driekleurenstelsel wordt geregeld – omdat weggebruikers een dergelijk weggedeelte niet verwachten – dient symbool als op bord J32 te worden gebruikt.

Kruisingen waar de voorrang is zoals voorgeschreven bij de algemene voorrangsregel

J8

De waarschuwing voor een kruising waar de voorrang is zoals voorgeschreven bij de algemene voorrangsregel die in het land van kracht is, dient te worden gegeven door het driehoeksbord als de J-serie met een symbool van J8,  op gelijkwaardige kruspunten, T-splitsing of Y-splitsing, dan wel een bajonet-aansluiting.

     


De waarschuwing voor een voorrangskruising dient te worden gegeven door het symbool als op bord B3, of om de aard van de kruising duidelijker aan te geven, de borden B4 en B5.

B3

B4

B5

 

B6

Deze symbolen mogen alleen op een weg worden geplaatst indien de borden als B6 of B7 zijn geplaatst op de weg of wegen waarmee deze weg de kruising vormt en waarvoor de waarschuwing is bedoeld, of indien deze

B7

wegen zodanig van aard zijn (bijvoorbeeld paden of onverharde wegen) dat, ingevolge de nationale wetgeving, bestuurders die zich daarop bevinden bij de kruising voorrang moeten verlenen, ook indien dergelijke tekens

B1

niet zijn geplaatst. Het gebruik van deze symbolen op wegen waarop bord B1 is aangebracht, dient tot uitzonderlijke gevallen te worden beperkt.

Kruisingen waarop aan de bestuurders op de kruisende weg voorrang moet worden verleend

B6

Voor het voorrang verlenen bij de kruising is het bord als B6 geplaatst. (dit kan ook een rond bord zijn met in het hart een driehoek, waarin het wordt STOP is aangegeven. Zonder het woord “stop” kan dit ook een aanduiding van een verkeersplein inhouden)

Kruising waarop het verkeer wordt geregeld door verkeerslichten
Indien het verkeer bij een kruising wordt geregeld door verkeers-lichten, mogen de borden als B1 en B6 met symbool van een driekleurig verkeerslicht worden geplaatst.

Tweerichtingsverkeer

C5

De waarschuwing dat op een weggedeelte het verkeer zich tijdelijk of permanent in beide richtingen voortbeweegt op dezelfde rijbaan, terwijl op het daarvóór gelegen weggedeelte het verkeer zich in slechts één richting voortbewoog dan wel de weg bestond uit verscheidene rijbanen, elk bestemd voor het verkeer in één richting, dient te worden gegeven door het bord als C5. Het teken met dit symbool dient te worden herhaald bij het begin van dit weggedeelte en tevens langs dit weggedeelte zo dikwijls als nodig wordt geacht.

Files

J33

De waarschuwing dat op het komende weggedeelte mogelijk een file staat, dient te worden gegeven door het symbool als op bord J33. Dit symbool mag in spiegelbeeld worden aangebracht.

Bewaakte spoorwegovergangen

J10

De waarschuwing voor overwegen met bomen of halve bomen die schuin tegenover elkaar aan elke zijde van de spoorlijn zijn geplaatst, dient te worden aangegeven door het symbool als op bord J10.

Andere overwegen
Andere overwegen dienen, afhankelijk van het geval, te worden aangegeven door het symbool als op bord J11 of door de tekens J12 en J13.

J11

12

13

Kruising met een tramlijn

J14

De waarschuwing voor een kruising met een tramlijn mag, mits een dergelijke kruising geen overweg is, worden aangegeven door het symbool als op het bord J14.

J37

Noot: als het noodzakelijk wordt geacht te waarschuwen voor een kruising van een weg en een spoorbaan waarover het spoor-wegverkeer zich zeer langzaam voortbeweegt, en waar het wegverkeer wordt geregeld door een spoorwegemployé die de railvoertuigen begeleidt en met de hand de noodzakelijke tekens geeft, dient teken als op J37 te worden gebruikt.

Tekens die bij overwegen dienen te worden geplaatst
Er zijn drie modellen van het teken als op bord J14: als de tekens op de borden J12 (enkelspoor), J13 (twee of meer sporen) en als J12 met extra toevoeging van het aantal sporen.

J14

12

13

Modellen als de tekens J12 en J13 dienen een wit of geel vlak te hebben met een rode of zwarte rand. Model teken J12 met aanduiding van het aantal sporen, dient een wit of geel vlak te hebben met een zwarte rand; het opschrift op het teken dient met zwarte letters te zijn aangebracht. Model J13 dient uitsluitend te worden gebruikt indien de spoorlijn uit ten minste twee sporen bestaat; bij het model J12 mat aanduiding mag alleen een onderbord worden gebruikt wanneer de spoorlijn uit ten minste twee sporen bestaat, in welk geval het teken het aantal sporen dient aan te geven.

De normale lengte van de balken van het kruis dient ten minste 1,20 m te zijn. Indien er niet voldoende ruimte is, mag het teken ook worden geplaatst met de punten van de balken naar boven en naar beneden.

Aanvullende tekens bij toegangswegen tot overwegen of beweegbare bruggen

Afstand

J37

B1

Borden/bebakening met de tekens die de afstand “tot” aangeven: de banen die de afstand aangeven, dienen schuin naar beneden te lopen in de richting van de rijbaan. Boven de bebakening mag het gevaarsteken als J37 of B1 worden geplaatst.

Vliegveld

J30

De waarschuwing voor laag vliegende vliegtuigen boven een weg, die bezig zijn te landen op, of op te stijgen van een vliegveld, dient te worden aangegeven door het symbool als op bord J30. Dit symbool mag in spiegelbeeld worden aangebracht.

Zijwind

J31

De waarschuwing dat op een bepaald weggedeelte dikwijls sterke zijwind voorkomt, dient te worden aangegeven door het symbool als op bord J31. Dit symbool mag in spiegelbeeld worden aangebracht.

Andere gevaren

J37

De waarschuwing voor een weggedeelte met gevaren kan ook worden gegeven door het symbool als op bord J37.
Het symbool als op bord J37 kan met name worden gebruikt om te waarschuwen voor kruisingen met een spoorbaan waarover het spoorwegverkeer zich zeer langzaam voortbeweegt en waar het wegverkeer wordt geregeld door een spoorwegemployé die de railvoertuigen begeleidt en met de hand de noodzakelijke tekens geeft.

Voorrangstekens
Noot: bij een kruising van een weg met een voorrangsweg waarin zich een bocht bevindt, kan onder de gevaarstekens die voor de kruising waarschuwen, of onder tekens die de voorrang regelen, ongeacht of deze al dan niet bij de kruising zijn opgesteld, een onderbord “in de voorrang” worden geplaatst met een schematische weergave met het verloop van de weg van de kruising die de loop van de voorrangsweg aangeeft.

Het teken voorrang verlenen

B6

Het teken voorrang verlenen dient het bord als B6 te zijn. Dit dient te bestaan uit een gelijkzijdige driehoek, waarvan één zijde horizontaal en met de daartegenover liggende hoek er onder. Het vlak dient wit of geel te zijn en de rand rood. Op dit teken mag geen symbool worden aangebracht. De zijde van dit teken van het normale formaat dient ongeveer 90 cm lang te zijn; de zijde van het teken van het kleine formaat dient ten minste 60 cm lang te zijn.

Het STOP-teken

B7

Het bord B7 is een achthoek met een rood vlak met daarop in het wit het woord STOP in het Engels of in de taal van de desbetreffende Staat; de hoogte van dit woord dient ten minste een derde te zijn van de hoogte van het bord;
Het ronde bord als B7, is rond met een wit of geel vlak en een rode rand; daarbinnen staat het teken als bord B6 zonder enig opschrift, en bovenaan met grote letters het woord STOP in zwart of donkerblauw, in het Engels of in de taal van de desbetreffende Staat.
De hoogte van het normale formaat van de STOP-borden dienen ongeveer 90 cm te zijn; dezelfde afmetingen van deze tekens van het kleine formaat dienen ten minste 60 cm te zijn.

Het teken voorrangsweg

B1

Het teken voorrangsweg dient teken B1 te zijn. Het dient te bestaan uit een vierkant waarvan één diagonaal verticaal staat. De buitenste rand van het teken dient zwart te zijn; het teken dient in het midden een geel of oranje vierkant te tonen met een zwarte omlijsting. De ruimte tussen de beide vierkanten dient wit te zijn. De zijde van dit teken van het normale formaat dient ongeveer 50 cm te zijn; de zijde van het teken van het kleine formaat dient ten minste 35 cm te zijn.

Het teken einde voorrangsweg

B2

Het teken einde voorrangsweg dient teken B2 te zijn. Dit dient te bestaan uit teken B1 als hierboven beschreven, waarop in het midden een zwarte of grijze band is aangebracht, die loodrecht staat op de zijden linksonder en rechtsboven van het vierkant, dan wel parallel lopende zwarte of grijze lijnen die een zodanige band vormen.

Teken dat aanduidt dat tegemoetkomend verkeer voorrang heeft

F5

Indien op een smal weggedeelte, waar voorbijgaan moeilijk of onmogelijk is, het verkeer wordt geregeld, en indien, omdat bestuurders dat hele weggedeelte ’s nachts en overdag duidelijk kunnen zien, de regeling van het verkeer bestaat uit voorrang verlenen aan verkeer in één richting, en niet door het plaatsen van verkeerslichten, dient het bord als F5 (voorrang verlenen aan tegemoetkomend verkeer) te worden geplaatst met de voorzijde naar het verkeer dat geen voorrang heeft. Dit teken geeft aan dat het verboden is zich op het smalle weggedeelte te begeven zolang het niet mogelijk is tot het eind van dit weggedeelte te rijden zonder tegemoetkomende voertuigen tot stoppen te dwingen. Dit teken dient rond te zijn, met een wit of geel vlak en een rode rand; de pijl die aangeeft welke rijrichting voorrang heeft, dient zwart te zijn en de pijl die de andere rijrichting aangeeft, rood.

Teken dat aanduidt dat men voorrang heeft op tegemoetkomend verkeer

F6

Om bestuurders kenbaar te maken dat zij op een smal weggedeelte voorrang hebben op tegemoetkomende voertuigen, dient teken F6 te worden gebruikt. Dit teken dient rechthoekig te zijn met een blauw vlak; de naar boven wijzende pijl dient wit te zijn, de andere rood.
Als teken F6 wordt gebruikt, dient teken F5 op de weg te worden geplaatst aan het andere eind van het smalle weggedeelte, voor het verkeer in tegengestelde richting.

Verbodstekens of beperkende tekens
Algemene kenmerken en symbolen

Verbodstekens en beperkende tekens dienen rond te zijn; hun diameter dient ten minste 60 cm te zijn buiten de bebouwde kom en ten minste 40 cm binnen de bebouwde kom. Tenzij bij de beschrijving van de tekens anders is aangegeven, dienen verbodstekens en beperkende tekens een wit of geel vlak te hebben of, bij tekens die een verbod of beperking inhouden voor stilstaan of parkeren, een blauw vlak met een brede rode rand; de symbolen en eventueel nodige opschriften dienen zwart of donkerblauw te zijn en indien er schuine banen op voorkomen, dienen deze rood te zijn en te lopen van links boven naar rechts beneden.

Algeheel en beperkt inrijverbod

C2

De aanduiding dat het voor alle voertuigen verboden is een weg in te rijden, dient te worden aangegeven door het bord als C2

Verboden in te rijden

C1

De aanduiding dat alle verkeer met voertuigen in beide richtingen is verboden, dient te worden aangegeven door het bord als C1,

Gesloten voor alle voertuigen in beide richtingen

De aanduiding dat het slechts voor een bepaalde categorie voertuigen of weg-gebruikers verboden is een weg in te rijden, dient te worden aangegeven door een teken op een onderbord met als

Onderbord

symbool een silhouet van het soort voertuig of weggebruiker dat hier niet mag inrijden.

 

Overige borden algeheel of beperkt inrijverbod

C6

C11

C14

C13
C7

 

 

  • C6 –Verboden voor gemotoriseerde voertuigen, behalve  voor motorfietsen zonder zijspanwagen.
  • C11 –  Verboden voor motorfietsen.
  • C14 –  Verboden voor fietsen/snorfietsen.
  • C13 –  Verboden voor bromfietsen.
  • C7  – Verboden voor vrachtvoertuigen.

Een opschrift met een tonnagecijfer, hetzij in lichte kleur op het silhouet van het voertuig, op een onderbord dat onder teken C7 is aangebracht, betekent dat het verbod alleen geldt indien de toegestane maximum massa van het voertuig of het samenstel van voertuigen dit cijfer te boven gaat.

Aanhangwagens

C,3f  (n.v.t. Voor Nederland) Verboden voor alle gemotoriseerde voertuigen met aanhangwagen(s) met uitzondering van een oplegger of van eenassige aanhangwagen. Een opschrift met een tonnagecijfer, hetzij in lichte kleur op het silhouet van de aanhangwagen, hetzij op een onderbord dat onder het bord is aangebracht, betekent dat het verbod alleen geldt indien de toegestane maximum massa van de aanhangwagen dit cijfer te boven gaat.
De Verdragsluitende Partijen kunnen, in gevallen waarin zij zulks nodig achten, op het symbool het silhouet van de achterzijde van de vrachtauto vervangen door het achterste deel van een personenauto, en het silhouet van de aanhangwagen door dat van een aanhangwagen die aan een personenauto kan worden gekoppeld.

Verboden toegang voor alle gemotoriseerde voertuigen met aanhangwagen(s)

C10

Een opschrift met een tonnagecijfer, hetzij in lichte kleur op het silhouet van de aanhangwagen op een onderbord dat onder het teken als C10 is aangebracht, betekent dat het verbod alleen geldt indien de toegestane maximum massa van de aanhangwagen dit cijfer te boven gaat.

Verboden toegang voor voertuigen met gevaarlijke stoffen waarvoor speciale signalering is voorgeschreven.

C22

Voor de aanduiding dat inrijden voor voertuigen met bepaalde gevaarlijke stoffen is verboden, kan een teken als C22 worden gebruikt, indien nodig voorzien van een onderbord. De informatie op dit onderbord geeft aan dat dit verbod alleen geldt voor het vervoer van gevaarlijke stoffen zoals beschreven in de nationale wetgeving.

C16

C3j

C3k

C8

 

  • C16 – Verboden voor voetgangers.
  • C,3j – (n.v.t. Voor Nederland) Verboden voor bespannen wagens.
  • C,3k – (n.v.t. Voor Nederland) Verboden voor handkarren.
  • C8 – Verboden voor gemotoriseerde landbouwvoertuigen.

Noot – De Verdragsluitende Partijen kunnen op borden de schuine rode balk, die van links boven naar rechts onder loopt, weglaten, of, mits zulks het niet moeilijker maakt het symbool te zien en te begrijpen, deze balk niet onderbreken waar deze door het symbool heen loopt.

De aanduiding dat inrijden voor verschillende soorten voertuigen of weggebruikers is verboden, mag worden gegeven, hetzij door evenveel verbodstekens te plaatsen als er verboden soorten zijn, dan wel door één enkel verbodsteken dat de silhouetten toont van de verschillende soorten voertuigen of weggebruikers voor wie dit inrijverbod geldt.

C12

De tekens als C12 (verboden voor alle gemotoriseerder voertuigen) en  C,4b (verboden voor alle gemotoriseerde voertuigen en alle bespannen wagens) zijn voorbeelden

C,4b

hiervan.

 

Tekens met meer dan twee silhouetten mogen niet buiten de bebouwde kom worden geplaatst, en tekens met meer dan drie silhouetten mogen niet binnen de bebouwde kom worden geplaatst.

Verbod inrijden massa en afmetingen
De aanduiding dat inrijden is verboden voor voertuigen waarvan de massa of de afmetingen bepaalde maxima te boven gaan, dient met de volgende tekens te worden gegeven:

C18

C19

C21

C20

C17

 

  • C18 – Verboden voor voertuigen waarvan de grootste breedte…meter te boven gaat.
  • C19 – Verboden voor voertuigen waarvan de grootste hoogte …meter te boven gaat.
  • C21 – Verboden voor voertuigen waarvan de totale massa …ton te boven gaat.
  • C20 – Verboden voor voertuigen waarvan de asdruk…ton te boven gaar.
  • C17 – Verboden voor voertuigen of samenstellen van voertuigen die een lengte van…meter te boven gaat.

Minimale volgafstand

De aanduiding dat voertuigen niet dichter achter elkaar mogen rijden dan de op het teken aangeduide afstand, wordt gegeven door het teken C,10 (n.v.t. Voor Nederland) “het is verboden met voertuigen minder dan…meter afstand te houden”

Verbod om af te slaan
De aanduiding dat het verboden is links of rechts af te slaan, al naar gelang de richting van de pijl, dient te worden gegeven door teken C,11a – linksaf verboden, of door teken C,11b – rechtsaf verboden. (n.v.t. Voor Nederland)

Verbod te keren

F7

De aanduiding dat het verboden is te keren, dient te worden gegeven door het bord als F7 – keren verboden.
Indien van toepassing mag het symbool in spiegelbeeld worden aangebracht.

Inhaalverbod
De aanduiding dat, als aanvulling op de algemene regels die met betrekking tot inhalen van kracht zijn, het inhalen door gemotoriseerde voertuigen, met uitzondering van tweewielige bromfietsen en tweewielige motorfietsen zonder zijspanwagen, op een bepaalde weg is verboden, dient te worden gegeven door het bord als F1 – inhalen verboden. Er zijn twee modellen van dit teken, waarvan in plaats van bord C,13ab voor Nederland bord F2 wordt gebruikt.

F1

C13ab

F2

Inhalen vrachtvoertuigen
De aanduiding dat inhalen alleen is verboden voor vrachtvoertuigen met een toegestane maximum massa die 3,5 ton te boven gaat, dient te worden gegeven door het bord als F3 – inhalen door vracht-voertuigen verboden. Er zijn twee modellen van dit teken, waarvan in plaats van bord C,13bb voor Nederland bord F4 wordt gebruikt.
Een opschrift op een onderbord dat onder het teken wordt geplaatst kan de toegestane maximum massa waarboven het verbod geldt, wijzigen.

F3

C13bb

F4

Snelheidsbeperking

A1

De aanduiding van een snelheidsbeperking dient te worden gegeven door het bord als A1 – maximum snelheid beperkt tot het aangegeven cijfer. Het cijfer op het teken dient de maximumsnelheid aan te geven in de meeteenheid van het stelsel dat in het betrokken land gewoonlijk wordt gebruikt om er de snelheid van voertuigen in uit te drukken. Achter of onder het cijfer dat de snelheid aangeeft kan bijvoorbeeld ,km’ (kilometer) of ,m’ (mijl) worden toegevoegd.

Teneinde een snelheidsbeperking aan te geven voor voertuigen die een toegestane maximum massa te boven gaan, dient het cijfer dat hierop betrekking heeft op een onderbord te worden aangegeven, welk bord onder het teken dient te worden geplaatst.

Verbod om inrichtingen voor geluidssignalen te gebruiken

C15

De aanduiding dat het is verboden inrichtingen voor geluidssignalen te gebruiken, behalve om een ongeval te vermijden, dient te worden gegeven door het teken C,15 (n.v.t. Voor Nederland) – Verboden inrichtingen voor geluidssignalen te gebruiken.

H2

Indien dit teken niet is geplaatst bij het begin van een bebouwde kom, of kort na een teken dat de bebouwde kom aangeeft, dient het vergezeld te gaan van een onderbord H2 waarop de afstand is aangegeven waarover het verbod geldt. Het verdient aanbeveling dit teken niet bij het begin van een bebouwde kom te plaatsen indien dit verbod voor alle bebouwde kommen geldt, en ervoor te zorgen dat het teken dat het begin van de bebouwde kom aangeeft, weggebruikers ervan in kennis stelt dat de verkeersregels die in dat land voor de bebouwde kom gelden, van dit punt af van toepassing zijn.

Verbod om zonder te stoppen door te rijden

C1

Bij het naderen van een douanekantoor waar stoppen verplicht is, wordt hiervan kennis gegeven door het bord als C1 met in het hart een zwarte horizontale balk en de tekst douane/zoll – Verboden om zonder stoppen door te rijden.

C16

Het symbool van dit bord dient het woord douane te bevatten, bij voorkeur in twee talen; de Verdragsluitende Partijen die het teken, als bedoeld gebruiken, dienen te trachten tot een regionale overeenkomst te komen zodat het woord douane op alle door hen geplaatste tekens in dezelfde taal voorkomt.
Dit teken mag ook worden gebruikt om bestuurders ervan in kennis te stellen dat stoppen om andere redenen verplicht is; in dit geval dient het woord douane te worden vervangen door een ander kort opschrift dat de reden voor het verplichte stoppen aangeeft.

Einde van verboden of beperkingen

F8

Het punt waar alle verboden ophouden die door verbodstekens zijn aangeduid ten aanzien van rijdende voertuigen, dient te worden aangegeven door het bord als F8 – einde van alle plaatselijke verboden voor rijdende voertuigen.  Dit teken dient rond te zijn met een wit of geel vlak; het mag geen rand hebben ofwel alleen een smalle zwarte lijst en dient een schuine band te tonen, van rechts boven naar links onder, die zwart of grijs mag zijn of die kan bestaan uit zwarte of grijze evenwijdig lopende strepen.

A2

F2

F4

F8

Het punt waar een bepaald verbod of een bepaalde beperking voor rijdende voertuigen ophoudt, dient te worden aangegeven door het bord als:

  • A2 – einde snelheidsbeperking of
  • F2 – einde inhaalverbod of
  • F4  – einde inhaalverbod voor vrachtvoertuigen.

Deze tekens dienen gelijk te zijn aan het bord als F8 maar dienen bovendien, in lichtgrijs, het symbool te tonen van het verbod of de beperking waaraan hier een eind is gekomen. De tekens als bedoeld, kunnen worden aangebracht aan de achterkant van de tekens die het verbod of de beperking aanduiden en die zijn bedoeld voor het verkeer in tegengestelde richting.

Verbod of beperking om stil te staan of te parkeren

E1

Plaatsen waar parkeren is verboden, dienen te worden aangeduid door het bord als E1 – parkeerverbod.

 

E2

Plaatsen waar stilstaan en parkeren is verboden, dienen te worden aangeduid door het bord als E2 – stilstaan en parkeren verboden.

Teken E1 kan worden vervangen door een rond teken met een rode rand en een schuine rode baan, met de letter of het beeld dat in de betrokken staat parkeren betekent, en wel in zwart op een wit of geel vlak. De omvang van het verbod kan worden beperkt door een opschrift op het onderbord dat aangeeft, al naar gelang van het geval:
De dagen van de week of van de maand, of de uren van de dag waarvoor het verbod geldt;
De tijdsduur waarna parkeren is verboden door teken E1, of de tijdsduur waarna stilstaan en parkeren is verboden door teken E2;
De uitzonderingen voor bepaalde groepen weggebruikers.
De tijd waarna parkeren of stilstaan is verboden kan ook worden aangegeven op het onderste deel van de rode cirkel van het teken in plaats van op een onderbord.

Beurtelings parkeren

C20a

Waar parkeren beurtelings aan een van beide zijden van de weg is toegestaan, dienen tekens C,20a en C,20b – beurtelings parkeren te worden gebruikt in plaats van teken E1 (in Nederland aangegeven door een onderbord aan de zijde van de weg waarop de beperking van toepassing is)

C20b

Het parkeerverbod dient van toepassing te zijn aan de zijde van het teken C,20a op de oneven dagen van de maand en aan de zijde van teken C,20b op de even dagen van de maand; het tijdstip waarop van zijde wordt gewisseld, dient door de nationale wetgeving te worden voorgeschreven en behoeft niet middernacht te zijn.

De nationale wetgeving kan ook een andere beurtelingse parkeerregeling voorschrijven dan de dagelijkse; in dit geval dienen de cijfers I en II te worden vervangen door de perioden die de beurten aanduiden, bijvoorbeeld 1–15 en 16–31 voor een parkeerwisseling op de eerste en de zestiende van elke maand.

E1

Teken E1 kan worden gebruikt door Staten die het bord als E2, C20a en C,20b niet hebben aangenomen, met daaraan toegevoegd extra opschriften.

Uitgezonderd in bijzondere gevallen, dienen de tekens zo te worden geplaatst dat het bord haaks staat op de as van de weg, ofwel met een kleine hoek op het vlak dat haaks op die as staat.

Alle parkeerverboden en -beperkingen dienen alleen van toepassing te zijn aan de zijde van de rijbaan waar de tekens zijn geplaatst.

Strekking van het verbod
De verbodsbepalingen zijn van toepassing vanaf het punt waar het teken is geplaatst tot het eerstvolgende punt waar een aansluiting van een weg is, behalve wanneer iets anders is aangeduid, hetzij op een onderbord met een afstandsaanduiding.

Een onderbord met een zwarte pijl en een eventuele afstandsaanduiding kan onder het bord worden geplaatst op het punt waar het verbod begint. Een onderbord kan onder de tekens worden geplaatst die het verbod herhalen. Op het punt waar het bord ophoudt van toepassing te zijn kan nogmaals een verbodsteken worden geplaatst, met een onderbord. De onderborden dienen zo te worden geplaatst, dat zij parallel lopen met de as van de weg of dat zij haaks staan op de as van de weg, afhankelijk van het model van het onderbord. Indien afstanden zijn aangegeven op de onderborden dienen deze betrekking te hebben op de afstand waarvoor het verbod nog van toepassing is in de richting van de pijl.
Indien het bord ophoudt van toepassing te zijn vóór de eerstvolgende aansluiting van een weg, dient het teken zo te worden geplaatst, voorzien van een onderbord waarop het einde van het verbod is aangeduid.

H3

Waar het bord echter slechts over een korte afstand van toepassing is, is het toegestaan slechts één teken te plaatsen: dat in de rode cirkel de afstand aangeeft waarop het van toepassing is, of dat een onderbord H,3 heeft.

Waar parkeermeters zijn geïnstalleerd, wordt hun aanwezigheid geacht aan te geven dat parkeren is toegestaan tegen betaling en dat de duur is beperkt tot die welke de meter aanwijst.

Gebodstekens
Algemene kenmerken en symbolen

C22

Gebodstekens dienen rond te zijn, behoudens het bord als C22, die rechthoekig dienen te zijn; hun diameter dient ten minste 60 cm te zijn buiten de bebouwde kom en ten minste 40 cm binnen de bebouwde kom. Tekens met een diameter van ten minste 30 cm mogen echter wel worden gebruikt samen met verkeerslichten of op verkeerszuilen op verkeerseilanden.
Tenzij anders bepaald, dienen deze tekens blauw te zijn met witte symbolen of met symbolen in een lichte kleur, ofwel dienen de tekens wit te zijn met een rode rand en de symbolen zwart.

Verplichte rijrichting

D4

D5

D6

D7

De richting die voertuigen verplicht zijn te volgen, of de enige richting(en) die zij mogen volgen, dienen te worden aangegeven door de borden als D4 tot en met D7 – verplichte rijrichting. waarop de pijl of pijlen dienen te staan die in de desbetreffende richting of richtingen wijzen.
In plaats van de borden D4 tot en met D7, kan echter ook een rechthoekig bord met een pijl worden gebruikt. Het bord dient zwart te zijn met een witte rand en een wit symbool.

Aan deze zijde passeren

D2

Het bord als teken D2 – aan deze zijde passeren, dat op een verkeerseiland of vóór een belemmering op de rijbaan is geplaatst, betekent dat voertuigen het verkeerseiland of de belemmering moeten passeren aan de zijde die door de pijl is aangegeven.

Verplichte rijrichting op verkeersplein

D1

Bord als D1 – verplichte rijrichting op verkeersplein /rotonde stelt bestuurders ervan in kennis dat zij op het verkeersplein de richting moeten aanhouden die door de pijlen wordt aangegeven. Indien het verkeersplein wordt aangeduid door het bord als D1 tezamen met het bord als B6 of B7, dan heeft de bestuurder op het verkeersplein voorrang.

B6

B7

Verplicht fietspad

G11

Het bord als G11 – verplicht fietspad stelt fietsers ervan in kennis dat het fietspad aan het begin waarvan het teken is geplaatst voor hen bestemd is, en stelt bestuurders van andere voertuigen ervan in kennis dat zij geen gebruik mogen maken van het fietspad. Fietsers moeten het verplichte fietspad gebruiken wanneer dit langs een rijbaan, voetpad of ruiterpad ligt en in dezelfde richting voert.

G12a

Van bestuurders van bromfietsen kan, op dezelfde voorwaarden, echter ook worden verlangd dat zij het fietspad gebruiken indien de nationale wetgeving daarin voorziet of indien deze eis kenbaar is gemaakt door een onderbord met een opschrift of met het symbool van het bord als C12a.

Verplicht voetpad

G7

Bord als G7 – verplicht voetpad, stelt voetgangers in kennis dat het pad aan het begin waarvan het teken is geplaatst voor hen bestemd is, en stelt andere weggebruikers ervan in kennis dat zij geen gebruik mogen maken van het voetpad. Voetgangers moeten het verplichte voetpad gebruiken wanneer dit langs een rijbaan, fietspad of ruiterpad ligt en in dezelfde richting voert.

Verplicht ruiterpad

G9

Het bord als G9 – verplicht ruiterpad stelt ruiters ervan in kennis dat het pad aan het begin waarvan het teken is geplaatst voor hen bestemd is, en stelt andere weggebruikers ervan in kennis dat zij geen gebruik mogen maken van het ruiterpad. Ruiters moeten het verplichte ruiterpad gebruiken wanneer dit langs een rijbaan, fietspad of voetpad ligt en in dezelfde richting voert.

D7

Verplichte minimumsnelheid
Bord D7 – verplichte minimumsnelheid (n.v.t. in Nederland)  betekent dat voertuigen gebruik makend van de weg aan het begin waarvan het teken is geplaatst niet langzamer mogen rijden dan de snelheid die op het teken is aangegeven; het cijfer op het teken dient de minimumsnelheid uit te drukken in de meeteenheid van het stelsel dat in het betrokken land gewoonlijk wordt gebruikt om er de snelheid van voertuigen in uit te drukken. Achter het cijfer dat de snelheid aangeeft kan bijvoorbeeld ,km’ (kilometer) of ,m’ (mijl) worden toegevoegd.

D8

Bord D8 – einde verplichte minimumsnelheid  (n.v.t. in Nederland) betekent dat de verplichte minimumsnelheid die is voorgeschreven door het bord als D7 niet langer van kracht is. Teken D8 dient gelijk te zijn aan teken D7, behalve dat er een schuine rode band over dient te lopen, van rechts boven naar links onder.

Sneeuwketting verplicht

D9

Teken D,9 – sneeuwkettingen verplicht (n.v.t. In Nederland) betekent dat op voertuigen aan het begin van de weg waar dit teken is geplaatst sneeuwkettingen dienen te worden aangebracht op ten minste twee van de aangedreven wielen.

Verplichte rijrichting voor voertuigen die gevaarlijke stoffen vervoeren

D10a

D10b

D10c

 

K14

Tekens D,10a, D,10b en D,10c  (in Nederland als K14) worden gebruikt om aan te geven welke richting voertuigen moeten volgen die gevaarlijke stoffen vervoeren.

Opmerking betreffende de combinatie van de borden G7, G9 en G11

G7

G9

G11

Om aan te geven dat een pad bestemd is voor het gebruik door twee categorieën weggebruikers en verboden is voor overige weggebruikers, dient een gebodsteken te worden gebruikt waarop de twee symbolen zijn aangebracht voor de weggebruikers die het pad, aan het begin waarvan het teken is geplaatst, mogen gebruiken.
In het geval dat de symbolen naast elkaar op het teken zijn geplaatst en zijn gescheiden door een verticale lijn door het midden van het teken, houdt elk symbool voor de desbetreffende categorie in dat het gedeelte van het pad moet worden gebruikt dat voor die categorie is bestemd, en voor de andere weggebruikers dat zij zich hierop niet mogen begeven; de twee gedeelten van het pad dienen duidelijk te worden gescheiden door middel van bebakening of markering.
In het geval dat de symbolen onder elkaar zijn geplaatst, houdt het teken voor de desbetreffende categorieën weggebruikers in dat zij het pad gezamenlijk mogen gebruiken. De volgorde van de symbolen is facultatief. In de nationale wetgeving kan indien nodig worden geregeld op welke wijze de gezamenlijke gebruikers met elkaar rekening moeten houden.

D11a

Teken D,11a is een voorbeeld van de combinatie van de borden als G7 en G11.

 

Tekens die een bijzonder voorschrift inhouden
Algemene kenmerken en symbolen

  • Tekens die een bijzonder voorschrift inhouden zijn gewoonlijk vierkant of rechthoekig met een blauw vlak en een lichtgekleurd symbool of opschrift, dan wel met een wit gekleurd vlak en een donkergekleurd symbool of opschrift.
  • Tekens die een bepaald voorschrift of gevaar inhouden en op één of meer rijstroken van toepassing zijn.

Tekens zoals hieronder genoemd geven aan dat een bepaald voorschrift of een waarschuwing voor gevaar slechts geldt voor een of meer rijstroken, aangegeven door een lengtemarkering, op een rijbaan bestaande uit meerdere rijstroken voor verkeer in dezelfde richting. Deze tekens kunnen ook aangeven dat rijstroken worden gebruikt door verkeer in tegengestelde richting. Het teken dat betrekking heeft op het voorschrift of de waarschuwing voor gevaar moet op elk van de gebruikte pijlen worden aangebracht:

In Nederland als bord L7, L11 en L12

L7

L11

L12


Borden als in het verdrag van Wenen

E1a

E1b

E1c

 

  • E,1a – verplichte minimumsnelheid voor verschillende rijstroken.
  • E,1b – verplichte minimumsnelheid voor één rijstrook.  Dit teken kan worden gebruikt voor het creëren van een ,kruipstrook’.
  • E,1c – snelheidsbeperking voor verschillende rijstroken. De randen van de cirkels moeten rood zijn en de cijfers zwart.

Tekens die een strook voor het openbaar vervoer bussen aangeven
(in Nederland busbaan, busstrook, delen vluchtstrook)

E2b

E2b

Tekens zoals E,2a en E,2b zijn voorbeelden van tekens die de positie van de rijstrook aangeven die is voorbehouden aan bussen.

Teken éénrichtingsweg
Er kunnen twee verschillende tekens éénrichtingsweg  worden geplaatst wanneer het noodzakelijk wordt geacht aan te geven dat op een weg of rijbaan het verkeer zich in één richting begeeft:

C3

Het bord als C3, dat ongeveer haaks op de as van de weg of rijbaan dient te worden geplaatst; dit bord dient vierkant te zijn.

C4

Het bord als C4, dat ongeveer parallel met de as van de rijbaan dient te worden geplaatst; dit bord dient een langwerpige rechthoek te zijn waarvan de lange zijde horizontaal is. Op de pijl van teken C4 kunnen in de landstaal of in een van de landstalen van het betrokken land de woorden ,één richting’ worden aangebracht.

De borden als C3 en C4 kunnen worden geplaatst ongeacht of bij het begin van de weg in kwestie verbods- of gebodstekens zijn geplaatst.

Voorsorteertekens

L4

Voorbeeld van een voorsorteringsteken bij een kruising op wegen met verschillende rijstroken: bord als L4.

Tekens die het begin of het einde van een autosnelweg aangeven

G1

Het bord als G1 – autosnelweg dient te worden geplaatst op het punt waar de bijzondere regels die op een autosnelweg in acht dienen te worden genomen, van toepassing worden.

 

G2

Het bord als G2 – einde autosnelweg dient te worden geplaatst op het punt waar deze regels niet meer van toepassing zijn.

Het bord G2 kan ook worden gebruikt en herhaald om te waarschuwen voor het einde van de autosnelweg; de afstand tussen elk teken dat voor dit doel is geplaatst en het einde van de autosnelweg dient op het onderste deel van het bord te zijn aangegeven. Deze tekens dienen een blauw of groen vlak te hebben.

Tekens die het begin of het einde van een bebouwde kom aangeven

H1

Op het teken waarmee het begin van een bebouwde kom wordt aangegeven, dient de naam van de bebouwde kom of het symbool met het silhouet van een bebouwde kom te worden aangebracht, of beide.

E7b

Het bord als H1 of E7b zijn een voorbeeld waarmee het begin van een bebouwde kom wordt aangegeven.

 

H2

Het teken waarmee het einde van een bebouwde kom wordt aangegeven, dient identiek te zijn, behalve dat er een schuine roodgekleurde baan of parallel lopende roodgekleurde lijnen van de hoek rechtsboven naar de hoek linksonder lopen.

E8b

Het bord als H2 of E8b kan worden aangebracht op de achterkant van het bord dat het begin van een bebouwde kom aangeeft.

Tekens die zonale geldigheid hebben
Begin van een zone
Om aan te geven dat een teken van toepassing is op alle wegen in een bepaalde zone (zonale geldigheid), dient het teken te worden weergegeven op een rechthoekig bord met een lichtgekleurd vlak. Het woord ZONE of het equivalent daarvan in de landstaal kan boven of onder het teken op het bord worden aangebracht.

Bijzondere details betreffende de beperkingen, verboden of geboden die door het teken worden aangeduid, kunnen onder het teken op het bord of op een onderbord worden aangebracht.
Tekens die van toepassing zijn op alle wegen in een bepaalde zone (zonale geldigheid) dienen te worden geplaatst op alle wegen die tot de desbetreffende zone toegang geven. De zone dient bij voorkeur alleen wegen te omvatten die soortgelijke eigenschappen hebben.

E10

E11

Borden als E10 en E11 met zone-aanduiding zijn voorbeelden van tekens die van toepassing zijn op alle wegen in een bepaalde zone (zonale geldigheid), evenals:

E9a

E9b

E9d

E,9a – zone waarin parkeren verboden is.
E,9b – zone waarin parkeren op bepaalde tijden verboden is.
E,9d – zone maximumsnelheid.

Einde van een zone
Om het einde aan te geven van een zone waarin een teken zonale geldigheid heeft, dient hetzelfde teken op een rechthoekig bord te worden geplaatst als dat welke aan het begin van de zone is geplaatst, maar dan in grijs op een rechthoekig bord met een lichtgekleurd vlak. Een zwarte of donkergrijze diagonale band of parallel lopende grijze of zwarte lijnen die een band vormen, dienen van rechts boven naar links onder over het bord te lopen.
Tekens die het einde van een zone aangeven, dienen te worden geplaatst op alle wegen die kunnen worden gebruikt om de zone te verlaten.

Tekens die het begin of het einde aangeven van een tunnel waarin bijzondere regels van toepassing zijn

L13

Bord als L13 – tunnel duidt een wegtracé aan dat door een tunnel gaat en waarop bijzondere verkeersregels van toepassing zijn. Het teken wordt geplaatst op het punt van waar deze regels van toepassing zijn.
Teneinde weggebruikers van tevoren te waarschuwen, kan het bord L13 aaanvullend op een geschikte afstand vóór het punt van waar de bijzondere regels van toepassing zijn, worden geplaatst; op een dergelijk teken moet in het onderste gedeelte ervan, of op een onderbord, de afstand worden vermeld tussen het punt waarop het is geplaatst en het punt van waar deze bijzondere regels van toepassing zijn.
Het bord – einde tunnel kan worden geplaatst op het punt van waar de bijzondere regels niet langer van toepassing zijn.

Teken voetgangersoversteekplaats

L2

Het bord als L2 – voetgangersoversteekplaats wordt gebruikt om voetgangers en bestuurders de plaats aan te duiden van een voetgangersoversteekplaats. Het bord dient een blauw of zwart vlak te hebben, met een witte of

E12b

gele driehoek en een zwart of donkerblauw symbool; het symbool dat hiervoor wordt gebruikt dient een symbool van een voetganger te zijn.

E12c

Teken E,12b is een ongelijkzijdige vijfhoek met een blauw vlak en een wit symbool, of teken E,12c, met een donker vlak en een wit symbool, mag echter ook worden gebruikt.

Ziekenhuisteken

E13a

Dit teken dient te worden gebruikt om bestuurders van voertuigen ervan in kennis te stellen dat zij de nodige voorzorgen dienen te nemen die vereist zijn in de nabijheid van ziekenhuizen, en vooral, dat zij geen

E13b

onnodig lawaai maken. Van dit teken bestaan twee modellen: E,13a en E,13b.

Het teken parkeergelegenheid

E4

Het bord als E4 – parkeergelegenheid, dat zo kan worden geplaatst dat het bord parallel loopt met de as van de weg, dient de plaatsen aan te geven waar parkeren van voertuigen is toegestaan. Dit bord dient vierkant te zijn. Het dient de letter of het beeld te tonen dat in de betrokken Staat parkeren betekent. De ondergrond van dit teken dient blauw te zijn.
De richting waarin de parkeergelegenheid ligt of de categorieën voertuigen waarvoor deze is bestemd, mogen op het teken zelf of op een onderbord worden aangegeven.

Dergelijke opschriften kunnen ook een beperking aanduiden van de periode waarin parkeren is toegestaan of aangeven dat openbaar vervoer vanaf de parkeergelegenheid bereikbaar is, door middel van een ,+ teken’ gevolgd door een indicatie van het type vervoer, in de vorm van woorden of symbolen.

E12

Het borden als E12 is een voorbeelden van tekens die kunnen worden gebruikt om een parkeergelegenheid aan te geven die meer in het bijzonder bedoeld is voor voertuigen waarvan de bestuurders van een openbaar vervoermiddel gebruik wensen te maken.

Tekens die een bushalte of tramhalte aangeven
Als bord L3b -bushalte, L3c – tramhalte en L3a – bus- en tramhalte.

L3b

L3c

L3a

 

Tekens die een stopplaats in geval van nood of gevaar aangeven

L14

L15

Het bord als L14 – noodstopplaats geeft een plaats aan die uitsluitend door bestuurders mag worden gebruikt om te stoppen of te parkeren in geval van nood of gevaar. Dit teken kan ook bestaan als bord L15.

L16

L17

Indien deze stopplaats is voorzien van een noodtelefoon en/of brandblusapparaat, is het teken voorzien van symbolen als de borden L16 en/of L17 in het onderste gedeelte ervan of op een rechthoekig bord onder het teken.

Tekens betreffende informatie, voorzieningen of diensten
Algemene kenmerken en symbolen:
De tekens op deze borden hebben een blauw of groen vlak; hierop dient een witte of gele rechthoek te zijn aangebracht waarop het symbool dient te worden afgebeeld.
Op de blauwe of groene band aan de onderzijde van het teken kan de afstand tot de aangeduide voorziening, of tot het begin van de weg die daarheen leidt, in wit worden aangegeven; op het teken dat een symbool toont, kan op dezelfde wijze worden aangegeven. Deze tekens kunnen ook worden geplaatst bij het begin van de weg die naar de voorziening leidt; ze kunnen dan een witte richtingspijl tonen op het blauwe of groene onderste deel van het bord.

L17

L18

L16

Het symbool dient zwart of donkerblauw te zijn, behalve symbolen met betrekking tot de aanduiding ziekenhuis (rode kruis) of het bord als L17 of L18, die rood dienen te zijn. Het symbool als op bord L16 mag rood zijn.

Symbool Eerstehulppost
De symbolen die in de betrokken Staten de eerstehulpposten aanduiden, dienen hiervoor gebruikt te worden. De symbolen dienen rood te zijn. Voorbeelden hiervan zijn F,1a, F,1b en F,1c.

F1a

F1b

F1c

 

Diverse, overige symbolen

F2

 

F3

F4

F5

 

  • F,2 – reparatiepost.
  • F,3 – telefoon.
  • F,4 – benzinepomp.
  • F,5 – hotel of motel.

F6

F7

F8

F9

F10

 

  • F,6 – restaurant.
  • F,7 – cafe of cafetaria.
  • F,8 – picknickterrein.
  • F,9 – beginpunt voor wandelingen.
  • F,10 – kampeerterrein.

F11

F12

F13

F14

 

  • F,11 – kampeerwagenterrein.
  • F,12 – kampeer- en kampeerwagenterrein.
  • F,13 – jeugdherberg.
  • F,14 – noodtelefoon.
  • F,15 – brandblusapparaat.

Tekens die een richting aangeven of een bebakening of aanduiding inhouden
Algemene kenmerken en symbolen
Informatieve tekens zijn gewoonlijk rechthoekig; richtingstekens kunnen echter de vorm hebben van een langwerpige rechthoek, waarvan de lange zijde horizontaal is en in een pijlpunt uitloopt.

Op informatieve tekens dienen de symbolen of opschriften in wit of in een lichte kleur te worden aangebracht op een donker vlak, dan wel in een donkere kleur op een wit of lichtgekleurd vlak; rood mag slechts bij uitzondering worden gebruikt en mag nooit domineren.

 

G1

Op vooraanduidingstekens of richtingstekens die betrekking hebben op autosnelwegen of wegen die als autosnelwegen worden beschouwd, dienen de symbolen of opschriften in wit te worden aangebracht op een blauw of groen vlak. Op dergelijke tekens kunnen de symbolen

G3

die worden gebruikt op de tekens als G1 en G3 op verkleinde schaal worden weergegeven.

 

Tekens bij wegwerkzaamheden en omleidingen
Tekens die tijdelijke omstandigheden zoals wegwerkzaamheden of omleidingen aanduiden, mogen een oranje of geel vlak hebben met zwarte symbolen en opschriften.

 f.jpg  k.jpg  s.jpg n.jpg  o.jpg

Aanbevolen wordt om op de bewegwijzeringsbordenborden de naam van de aangegeven plaats weer te geven in de taal van het land of het landsdeel waarin genoemde plaats zich bevindt.

Vooraanduidingstekens
Voor algemeen gebruik:
Voorbeelden van vooraanduidingsborden als de borden: K2, K5, K10 en K11.

K2

K5

K10

K11

Bijzondere gevallen
Voorbeelden van vooraanduidingstekens voor een doodlopende weg: als de borden L8 en L9.

L8

L9

 

G3

Voorbeeld van een vooraanduidingsteken voor een weg die moet worden gevolgd teneinde links af te slaan, wanneer links afslaan bij het volgende kruispunt verboden is: G,3.

NOOT: Op vooraanduidingstekens als de borden L8 en L9 mogen de symbolen worden aangebracht die worden gebruikt op andere tekens die de weggebruiker informatie geven omtrent de kenmerken van de weg of de verkeersomstandigheden.

Richtingstekens
Voorbeelden van tekens die de richting naar een plaats aangeven: als de borden K6, K7 en K8.

K6

K7

K8

Voorbeelden van tekens die de richting naar een vliegveld aangeven: G,6a, G,6b en G,6c

G6a

G6b

G6c

K2

(in Nederland aangegeven op beslissingswegwijzers of voorwegwijzers: als bijvoorbeeld K2 )

G7

G8

Teken G,7 geeft de richting aan naar een kampeerterrein.
Teken G,8 geeft de richting aan naar een jeugdherberg.

G9a

G9b

Voorbeelden van tekens die de richting naar een parkeer-gelegenheid aangeven die meer in het bijzonder bedoeld is voor voertuigen waarvan de bestuurders van een openbaar vervoermiddel gebruik wensen te maken: G,9a en G,9b. Het type openbaar vervoer kan door middel van een opschrift of symbool op het teken worden aangegeven.

NOOT: Op richtingstekens die een plaats of specifieke bestemming aangeven, mogen de symbolen worden aangebracht die worden gebruikt op andere tekens die de weggebruiker informatie geven omtrent de kenmerken van de weg of de verkeersomstandigheden.

Bevestigingstekens

G10

Teken G,10 is een voorbeeld van een bevestigingsteken.
Dit teken kan worden aangebracht aan de achterzijde van een ander teken dat is bedoeld voor het verkeer in tegengestelde richting.

Tekens die het aantal rijstroken en de richting hiervan aanduiden

L5

L6

L7

C23-01

C23-02

De borden als L5, L6, L7 en C23-01 / 02 dienen te worden gebruikt om bestuurders in kennis te stellen van het aantal rijstroken en de richting hiervan. De tekens moeten hetzelfde aantal pijlen bevatten als het aantal rijstroken dat is bestemd voor verkeer in dezelfde richting; de tekens kunnen ook rijstroken aanduiden die zijn bestemd voor verkeer in de tegengestelde richting.

Tekens die aanduiden dat een rijstrook is gesloten

C23-02

C23-03

De borden als C23-02 en C23-03 wijzen bestuurders erop dat een rijstrook vrijgemaakt dient te worden of is gesloten.

Teken doodlopende weg

L8

Het bord als L8 – doodlopende weg, geplaatst aan het begin van een weg, geeft aan dat de weg doodloopt.

 

G14

Teken algemene snelheidsbeperkingen
Teken G,14 – algemene snelheidsbeperking dient te worden gebruikt, in het bijzonder bij de landsgrenzen, om de geldende maximumsnelheid in een land of een bestuurlijk onderdeel daarvan aan te duiden. De naam of het onderscheidingsteken van het land, eventueel voorzien van het nationale embleem, dient bovenaan het teken te worden geplaatst. Op het teken dienen de algemene snelheidsbeperkingen die in een land van kracht zijn in de volgende volgorde te worden aangebracht:

  • binnen de bebouwde kom.
  • buiten de bebouwde kom.
  • op autosnelwegen.
G3

Indien van toepassing kan het symbool van het bord als G3 – autoweg worden gebruikt om de algemene snelheidsbeperking aan te geven op wegen voor motorvoertuigen. De rand van het teken en het bovenste deel daarvan zijn blauw; de landnaam en het vlak van de drie vierkanten zijn wit. De symbolen in het bovenste en middelste vierkant zijn zwart en door het symbool in het middelste vierkant loopt een schuine rode streep.

Teken voor weg, geopend of gesloten
(n.v.t. Voor Nederland)

G15

Teken G,15 – weg geopend of gesloten dient te worden gebruikt om aan te duiden of een bergweg, en speciaal een weggedeelte dat over een pas loopt, voor het verkeer is geopend of gesloten; het teken dient te worden geplaatst bij het begin van de weg of wegen die naar het betrokken weggedeelte leidt (leiden).
De naam van het weggedeelte (of van de pas) dient met witte letters te worden aangegeven. Op het voorbeeld is de naam ,Furka’ gebruikt.

  • De panelen 1, 2 en 3 dienen te kunnen worden verwijderd.
    Indien het weggedeelte is gesloten, dient paneel 1 rood te zijn en het opschrift GESLOTEN te dragen; indien het weggedeelte open is, dient paneel 1 groen te zijn en het opschrift GEOPEND te dragen. De opschriften dienen met witte letters te zijn aangebracht, en liefst in verschillende talen.
  • De panelen 2 en 3 dienen wit te zijn met zwarte opschriften en symbolen.G16

    D9

    G16

    Indien het weggedeelte geopend is, dient paneel 3 leeg te blijven en paneel 2 dient, al naar gelang van de toestand van de weg, leeg te zijn dan wel teken D,9 – sneeuwkettingen verplicht of symbool G,16 – kettingen of sneeuwbanden aanbevolen te tonen. Dit symbool dient zwart te zijn.

  • Indien het weggedeelte geopend is, dient op paneel 3 de naam van de plaats te staan tot waar de weg geopend is en paneel 2 dient, naar gelang de toestand van de weg, het opschrift GEOPEND TOT dan wel symbool G,16 of teken D,9 te tonen.

Adviessnelheid

A4

Het bord als A4 – adviessnelheid dient te worden gebruikt om de geadviseerde snelheid aan te duiden indien de omstandigheden dit toestaan en de bestuurder niet wordt geacht een voor zijn voertuig geldende lagere maximum snelheid aan te houden. Het cijfer of de reeks cijfers op het teken dienen de snelheid aan te geven in de meeteenheid van het stelsel dat in het betrokken land gewoonlijk wordt gebruikt om de snelheid van voertuigen in uit te drukken. De meeteenheid mag op het teken worden aangegeven.

Teken dat een aanbevolen route aanduidt voor zware voertuigen

G18

G,18 – aanbevolen route voor zware voertuigen.

Teken dat een noodspoor aanduidt

G19

Teken G,19 – noodspoor dient te worden gebruikt om een noodspoor aan te geven op een steile helling. Dit teken, voorzien van een bord dat de afstand tot het noodspoor aanduidt, dient te worden geplaatst in combinatie met een bord als J6 bovenaan de helling, daar waar de gevarenzone begint en bij de ingang van het noodspoor. Al naar gelang van de lengte van de helling dient het teken waar nodig te worden herhaald, en ook hier te worden voorzien van een bord dat de afstand aanduidt.
Het symbool kan variëren overeenkomstig de ligging van het noodspoor in verhouding tot de desbetreffende weg.

Tekens die een voetgangersbrug of voetgangerstunnel aanduiden

G20

Teken G,20 wordt gebruikt om een voetgangersbrug of voetgangerstunnel aan te duiden.
Teken G,21 wordt gebruikt om een brug of tunnel zonder treden aan te duiden. Het teken voor gehandicapten mag

G21

op dit teken tevens worden gebruikt.

 

Tekens die een afrit van een autosnelweg aangeven (voorwegwijzers)

a

 

b

c

Tekens G,22a, G,22b en G,22c zijn voorbeelden van voor-aanduidingstekens (voorwegwijzers) om een afrit van een autosnelweg aan te geven. Op deze tekens dient een aanduiding van de afstand tot aan de afrit te staan, overeenkomstig de nationale wetgeving; tekens met respectievelijk een en twee schuine banen worden geplaatst op eenderde en tweederde van de afstand tussen het teken met drie schuine banen en de afrit van de autosnelweg.

Tekens die nooduitgangen aanduiden

G23a

G24a

G24b

G24c

G23b
L19

Borden als L19 duiden de plaats van nooduitgangen aan. Zijn voorbeelden van tekens voor de aanduiding van de richting en afstand van de dichtstbijzijnde nooduitgangen. In tunnels dienen deze op een afstand van ten hoogste 50 m uit elkaar en op een hoogte van 1 à 1,5 m op de zijmuren te worden aangebracht. De borden hebben een groene achtergrond en de symbolen, pijlen en afstandsaanduidingen zijn wit of licht van kleur.

Onderborden
Deze borden hebben hetzij een wit of geel vlak met een zwarte, donkerblauwe of rode rand, waarbij de afstand of lengte of het symbool in zwart of donkerblauw worden aangebracht, hetzij een zwart of donkerblauw vlak met een witte, gele of rode rand, waarbij de afstand of lengte of het symbool in wit of geel worden aangebracht.

H1

H2

B1

De onderborden H,1 duiden de afstand aan tussen het teken en het begin van het gevaarlijke weggedeelte of van de zone waarop het voorschrift van toepassing is.
De onderborden H,2 duiden de lengte aan van het gevaarlijke weggedeelte of van de zone waarop het voorschrift van toepassing is.
De onderborden worden geplaatst onder de tekens.
Bij gevaarstekens als model B1 mag de op de onderborden te verstrekken informatie evenwel worden aangebracht op het onderste gedeelte van het teken.

H3a

H3b

H3c

 

a

b

c

De onderborden, betreffende parkeerverboden of -beperkingen zijn de modellen H,3a, H,3b en H,4c, respectievelijk H,4a, H,4b en H,4c.

Onderborden specifieke categorie weggebruikers

H5a

H5b

De toepassing van tekens die een bepaald voorschrift inhouden kan worden beperkt tot een specifieke categorie weggebruikers door middel van plaatsing van het symbool van de desbetreffende categorie. Bijvoorbeeld H,5a en H,5b.

Ingeval het teken dat een bepaald voorschrift inhoudt op een bepaalde categorie weggebruikers niet van toepassing is, wordt zulks aangegeven door middel van het symbool van de bedoelde categorie en het woord ,uitgezonderd’, in de taal van het desbetreffende land.

H6

H7

C18

E14

Bijvoorbeeld: H6. Indien nodig mag het symbool worden vervangen door een opschrift in de landstaal. Om aan te duiden dat parkeerplaatsen zijn voorbehouden aan gehandicapten, wordt bord H,7 gebruikt in combinatie met tekens C,18 of E,14.

H8

B1

B2

Het onderbord als H,8 toont een diagram van de kruising waarop brede stroken voorrangswegen aanduiden en smalle stroken de wegen waarlangs tekens als B,1 of B,2 zijn geplaatst.

 

H9

Om aan te duiden dat het komende weggedeelte glad is vanwege ijzel of sneeuw, wordt onderbord H,9 gebruikt.

Noot: in landen waar het verkeer links houdt, worden de tekens en/of symbolen naar gebruik in spiegelbeeld aangebracht.

Op de weg aangebrachte tekens
Algemeen
Tekens op het wegdek dienen van anti-slipmateriaal te zijn en mogen ten hoogste 6 mm uitsteken boven het wegdek van de rijbaan. Wegspijkers en dergelijke voorwerpen die worden gebruikt om tekens op het wegdek aan te geven mogen ten hoogste 1,5 cm boven het wegdek van de rijbaan uitsteken (of ten hoogste 2,5 cm in het geval van wegspijkers die reflectoren bevatten); deze dienen te worden gebruikt overeenkomstig de eisen van de verkeersveiligheid.

Tekens in de lengterichting van de weg

Doorgetrokken strepen
De breedte van doorgetrokken of onderbroken strepen die worden gebruikt voor tekens in de lengterichting van de weg dient ten minste 10 cm te zijn. De afstand tussen twee naast elkaar lopende strepen in de lengterichting (dubbele streep) dient ten minste 10 cm en ten hoogste 18 cm te bedragen.

Onderbroken strepen
Een onderbroken streep dient te bestaan uit korte strepen van gelijke lengte, onderbroken door telkens gelijke open stukken. Bij het bepalen van de lengte van de korte strepen en van de open stukken daartussen dient rekening te worden gehouden met de snelheid van de voertuigen op het desbetreffende weggedeelte of in het desbetreffende gebied.

Buiten bebouwde kom
Buiten de bebouwde kom dient een onderbroken streep te bestaan uit korte strepen die ten minste 2 m en ten hoogste 10 m lang zijn. De lengte van de korte strepen die de waarschuwingsstreep vormen zoals bedoeld in paragraaf 23 van deze Bijlage, dient twee- tot driemaal zo groot te zijn als de lengte van de onderbrekingen.

Binnen bebouwde kom
Binnen de bebouwde kom dienen de lengte van de korte strepen en de lengte van onderbrekingen kleiner te zijn dan buiten de bebouwde kom. De korte strepen kunnen hier worden teruggebracht tot een lengte van 1 m. Op bepaalde hoofdverkeerswegen in steden waar de snelheid van het verkeer groot is, kunnen de afmetingen van de korte strepen en van de onderbrekingen gelijk zijn aan die welke gelden buiten de bebouwde kom.

Tekens die rijstroken aangeven
Rijstroken dienen te worden aangegeven door onderbroken strepen, door doorgetrokken strepen of door andere hiertoe geschikte tekens.

Buiten de bebouwde kom
Op wegen bestemd voor verkeer in beide richtingen met twee rijstroken dient het midden van de rijbaan te zijn aangegeven door een streep in de lengterichting. Onder normale omstandigheden dient dit een onderbroken streep te zijn. Doorgetrokken strepen voor dit doel dienen uitsluitend in bijzondere gevallen te worden aangebracht.

Wegen met drie of meer rijstroken
Op wegen met drie rijstroken dienen de rijstroken op weggedeelten met normaal zicht als regel te worden aangeduid door onderbroken strepen. In bepaalde gevallen en ten einde een grotere verkeers-veiligheid te bevorderen, kunnen doorgetrokken strepen worden gebezigd, of onderbroken strepen vlak naast doorgetrokken strepen.

Op rijbanen met meer dan drie rijstroken, dienen beide verkeersrichtingen van elkaar te zijn gescheiden door één doorgetrokken streep of door twee doorgetrokken strepen, behalve in die gevallen waarin de verkeersrichting op de binnenste stroken kan worden omgekeerd. Bovendien dienen de rijstroken te worden aangegeven door onderbroken strepen (zie diagrammen 1a en 1b).

1a

1b

Binnen de bebouwde kom
Binnen de bebouwde kom zijn er aanbevelingen voor straten voor verkeer in beide richtingen en voor straten voor verkeer in één richting met ten minste twee rijstroken.

De rijstroken dienen te worden aangegeven daar, waar de breedte van de rijbaan wordt verminderd door trottoirs, vluchtheuvels of verkeersgeleiders.

Toegangswegen
Bij de toegangswegen tot belangrijke kruisingen (speciaal kruisingen waar het verkeer wordt geregeld) en waar de rijbaan voldoende breed is voor twee of meer rijen voertuigen, dienen rijstroken te worden aangegeven volgens diagrammen 2 en 3. In dergelijke gevallen kunnen de strepen die de rijstroken aangeven, worden aangevuld met pijlen.

2

3


Tekens voor bepaalde situaties

Het gebruik van doorgetrokken strepen
Ten einde de verkeersveiligheid te vergroten, dienen de onderbroken strepen in het midden van de rijbaan bij bepaalde kruisingen te worden vervangen of aangevuld door een doorlopende streep.

In gevallen waar het nodig is het gebruik van dat deel van de rijbaan te verbieden, dat bestemd is voor verkeer uit tegengestelde richting daar waar het gezichtsveld is beperkt (heuveltop, bocht in de weg, enz.) of op weggedeelten waar de rijbaan smal is of een andere eigenaardigheid vertoont, dienen beperkingen te worden toegepast voor weggedeelten waar het zicht minder bedraagt dan een zeker minimum, en wel met behulp van een doorgetrokken streep.

Voor nadere/actuele informatie over belijning en toepassing van strepen op het weg dek, raadpleeg: voorschriften, strepen en belijning op de Nederlandse wegen.

Lees verder:

Deel 1 – verdrag van Wenen: begripsomschrijving en verdragsluitende partijen.

Deel 2 – verdrag van Wenen: plaatsing en motivatie verkeerstekens.

Bronnen
Overheid.nl
RVV 1990

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.