Verdrag van Wenen – Verkeersborden en verkeerstekens – Deel 2

Verkeerstekens –  verdrag van Wenen 1968

Deel 2
In deel 2 van het verdrag van Wenen voor het verkeer is algemene informatie over verkeersborden en de plaatsing hiervan opgenomen.

Het betreft een aangepaste weergave met  verwijzing naar de Nederlandse verkeersborden volgens het RVV 1990, bijlage 1. In deel 3 worden de verkeersborden specifiek beschreven. Voor de originele tekst gaat u naar:  wetten.overheid.nl 

Deel 2 –  Verkeerstekens

Algemene informatie en plaatsing verkeerstekens

Het in dit Verdrag voorgeschreven stelsel onderscheidt de volgende categorieën verkeerstekens:

Gevaarstekens
Deze tekens zijn bedoeld om weggebruikers te waarschuwen voor een gevaar op de weg en om hun tevens de aard van dit gevaar kenbaar te maken.

Tekens die een bepaald voorschrift inhouden
Deze tekens hebben ten doel aan weggebruikers kenbaar te maken dat er bepaalde verplichtingen, beperkingen of verboden zijn, waaraan zij zich dienen te houden; deze zijn onderverdeeld in:

  • Voorrangstekens
  • Verbodstekens of beperkende tekens
  • Gebodstekens

Tekens die een bijzonder voorschrift inhouden
Informatieve tekens: deze tekens hebben ten doel weggebruikers aanwijzingen te geven of hun andere inlichtingen te verschaffen die van nut kunnen zijn; deze tekens zijn onderverdeeld in:
Tekens betreffende informatie, voorzieningen of diensten.
Tekens die een richting aangeven of een bebakening of aanduiding inhouden.

  • Vooraanduidingstekens.
  • Richtingtekens.
  • Tekens ter identificatie van een weg.
  • Tekens ter identificatie van een plaats of plek.
  • Bevestigingstekens.
  • Tekens die een aanduiding inhouden.

Onderborden
Wanneer dit Verdrag een keuze toestaat tussen verschillende tekens of verschillende symbolen,
verbinden de Verdragsluitende Partijen zich ertoe slechts één van deze tekens of symbolen voor hun gehele gebied of gebieden over te nemen en dienen de Verdragsluitende Partijen ernaar te streven door middel van regionale overeenkomsten tot dezelfde keuze te komen. De bepalingen van artikel 3, derde lid, van dit Verdrag van toepassing op alle tekens en symbolen van de typen die niet zijn gekozen.

Plaatsing tekens
Tekens dienen zodanig te worden geplaatst dat de bestuurders voor wie ze zijn bedoeld ze gemakkelijk en tijdig kunnen herkennen. Zij dienen als regel te worden geplaatst aan die zijde van de weg die overeenkomt met de rijrichting; ze kunnen echter boven de rijbaan worden geplaatst of herhaald. Elk teken dat is geplaatst aan de zijde van de weg die overeenkomt met de rijrichting, dient boven, of aan de andere zijde van de rijbaan te worden herhaald, indien de plaatselijke omstandigheden van dien aard zijn, dat de tekens niet zouden kunnen worden gezien door de bestuurders voor wie ze zijn bedoeld.

Alle tekens zijn over de hele breedte van de rijbaan die voor het verkeer openstaat van toepassing op de bestuurders voor wie ze bedoeld zijn. Het is echter ook toegestaan dat tekens alleen van toepassing zijn voor één of meer rijstroken, wanneer de rijbaan door in de lengterichting op het wegdek aangebrachte tekens in rijstroken is verdeeld.
In dit geval wordt een van de drie volgende bebakenings-mogelijkheden toegepast:

  1. Het teken, indien nodig met toevoeging van een verticale pijl, wordt boven de desbetreffende rijstrook geplaatst, of
  2. Het teken wordt geplaatst aan de rand van de rijbaan wanneer zonder twijfel uit tekens op het wegdek blijkt dat het desbetreffende teken alleen van toepassing is op de rijstrook gelegen aan de rand van de rijbaan die overeenkomt met de rijrichting en dat het enige doel van dit teken is een plaatselijk voorschrift dat reeds door tekens op het wegdek wordt aangegeven, te bevestigen, of
  3. De tekens E1 of E2 of de tekens G,11 en G,12 worden aan de rand van de rijbaan geplaatst.

E1

E2

G1

G2

 

Indien het bevoegde gezag van mening is dat een teken niet doeltreffend zou zijn indien het in de zijberm van een weg met gescheiden rijbanen zou worden geplaatst, is het geoorloofd het op de scheidende strook te plaatsen en in dit geval behoeft het niet in de zijberm van de weg te worden herhaald.

Het verdient aanbeveling dat de nationale wetgeving bepaalt:

  1. Dat tekens zodanig worden geplaatst dat zij geen belemmering vormen voor het verkeer van voertuigen op de rijbaan, en, indien zij in de zijbermen zijn geplaatst, dat zij de voetgangers zo min mogelijk hinderen. Het verschil in hoogte tussen de rijbaan aan de zijde waar het teken is geplaatst en de onderste rand van het teken, dient voor alle tekens van dezelfde categorie of dezelfde route zoveel mogelijk gelijk te zijn.
  2. Dat de borden van zodanige afmeting zijn dat het teken op een afstand gemakkelijk zichtbaar is en gemakkelijk kan worden begrepen door degene die het naderen.  Deze afmetingen dienen te zijn aangepast aan de gebruikelijke snelheid van voertuigen.
  3. Dat de afmetingen van gevaarstekens en van tekens die een bepaald voorschrift inhouden (behoudens tekens die een bijzonder voorschrift inhouden) op het grondgebied van elke Verdragsluitende Partij genormaliseerd zijn. Over het algemeen dienen er vier formaten te zijn voor elk type teken: klein, normaal, groot en zeer groot. Kleine tekens dienen te worden gebruikt overal waar de omstandigheden het gebruik van de normale tekens onmogelijk maken, of waar het verkeer alleen langzaam kan rijden; ze mogen ook worden gebruikt om een voorafgaand teken te herhalen. Grote tekens dienen op zeer brede wegen waarop met hoge snelheden wordt gereden te worden gebruikt. Zeer grote tekens dienen te worden gebruikt op wegen waarop met zeer hoge snelheden wordt gereden, zoals autosnelwegen.

Zichtbaarheid tekens
Het verdient aanbeveling dat de nationale wetgeving bepaalt dat, teneinde ze ’s nachts beter zichtbaar en leesbaar te maken, verkeerstekens langs de weg, met name gevaarstekens, tekens die een bepaald voorschrift inhouden en richtingstekens verlicht zijn dan wel retroreflecterend zijn, mits dit er niet toe leidt dat weggebruikers erdoor worden verblind.

De Verdragsluitende Partijen mogen ook het gebruik van fluorescerende materialen toestaan; in dat geval moeten zij aangeven voor welke tekens deze materialen mogen worden gebruikt.

In de nationale wetgeving moeten regels worden opgesteld voor het gebruik van verlichte, retroreflecterende en fluorescerende tekens. De nationale wetgeving moet ook aangeven in welke situaties elke categorie retroreflecterende materialen moet worden gebruikt.

Donkere of lichte grafische elementen van verschillende kleuren in de tekens kunnen worden onderscheiden door middel van respectievelijk lichte of donkere smalle contrasterende strepen.

Niets in dit Verdrag verbiedt het gebruik van tekens die bedoeld zijn om informatie, waarschuwingen of voorschriften te geven, en die uitsluitend van toepassing zijn op bepaalde tijden of op bepaalde dagen, en die alleen zichtbaar zijn wanneer hetgeen zij kenbaar maken ter zake dienend is.

Internationale eenvormigheid
Ten einde het begrijpen van tekens internationaal te vergemakkelijken, is het stelsel van verkeerstekens dat in dit Verdrag is voorgeschreven, gebaseerd op het gebruik van vormen en kleuren die kenmerkend zijn voor elke categorie tekens en, waar mogelijk, op het gebruik van beeldsymbolen in plaats van teksten. In die gevallen waarin de Verdragsluitende Partijen het noodzakelijk achten de voorgeschreven symbolen te wijzigen, mogen deze wijzigingen hun essentiële kenmerken niet veranderen.

In gevallen waarin installaties voor variabele verkeerstekens worden gebruikt, moeten de hierop weergegeven teksten en symbolen eveneens overeenkomen met het in dit Verdrag voorgeschreven stelsel van verkeerstekens. Indien echter de technische eisen van een bepaald type systeem dit rechtvaardigen, met name om een goede leesbaarheid te waarborgen, en met dien verstande dat geen verkeerde interpretatie mogelijk is, mogen de voorgeschreven donker gekleurde tekens of symbolen in een lichte kleur worden weergegeven; lichte achtergronden worden dan vervangen door donkere achtergronden. De rode kleur van een symbool van een teken en de rand daarvan mogen niet worden gewijzigd.

Verdragsluitende Partijen die tekens of symbolen wensen aan te nemen die niet zijn voorgeschreven in dit Verdrag, dienen ernaar te streven regionaal tot overeenstemming te komen met betrekking tot zo’n nieuw teken of symbool.
Niets in dit Verdrag verbiedt de toevoeging, hoofdzakelijk teneinde het begrijpen van tekens te vergemakkelijken, van een opschrift op een rechthoekig bord onder het teken, of op een rechthoekig bord waarop tevens het teken is aangebracht; een dergelijk opschrift mag ook op het teken zelf worden geplaatst, indien zulks het begrijpen van het teken niet moeilijker maakt voor bestuurders die het opschrift niet kunnen begrijpen.

In gevallen waarin het bevoegde gezag het raadzaam acht de betekenis van een teken of symbool te verduidelijken of de toepassing van een teken te beperken tot bepaalde tijdvakken, kan dit worden gedaan door middel van een opschrift op het teken. Indien de toepassing van tekens die een bepaald voorschrift inhouden, moet worden beperkt tot bepaalde weggebruikers of indien bepaalde weggebruikers van dit voorschrift worden uitgezonderd, geschiedt dit door middel van onderborden.

De opschriften dienen in de landstaal of in één of meer van de landstalen te zijn, en tevens, indien de betrokken Verdragsluitende Partij zulks raadzaam acht, in andere talen, met name de officiële talen van de Verenigde Naties.

Gevaarstekens

Het aantal gevaarstekens dient niet onnodig te worden vergroot, maar dergelijke tekens dienen te worden geplaatst om voor mogelijke gevaren op de weg te waarschuwen daar, waar deze voor een bestuurder die met de nodige voorzichtigheid rijdt, moeilijk tijdig zijn waar te nemen.

Afstand gevaarstekens
Gevaarstekens dienen op zodanige afstand van het gevaarspunt te worden geplaatst, dat zij overdag en ’s nachts zo doeltreffend mogelijk zijn, met inachtneming van de toestand van de weg en de verkeersomstandigheden, met name de normale snelheid van de voertuigen en de afstand waarop het teken zichtbaar is.

De afstand tussen het teken en het begin van een gevaarlijk weggedeelte kan kenbaar worden gemaakt op een onderbord, geplaatst overeenkomstig de bepalingen van dat Deel; deze informatie dient te worden verschaft wanneer de afstand tussen het teken en het begin van het gevaarlijke weggedeelte niet door bestuurders kan worden beoordeeld en afwijkt van de afstand die zij gewoonlijk kunnen verwachten.

Herhaling gevaarstekens
Gevaarstekens kunnen worden herhaald, met name op autosnelwegen en op wegen die als autosnelwegen worden behandeld. Wanneer zij worden herhaald, dient de afstand tussen het teken en het begin van het gevaarlijke weggedeelte te worden aangegeven overeenkomstig de bepalingen van het vierde lid van dit artikel. Ten aanzien van gevaarstekens die waarschuwen voor beweegbare bruggen en voor overwegen, staat het de Verdrag-sluitende Partijen echter vrij de volgende bepalingen toe te passen:
Een rechthoekig bord met de langste zijde verticaal en voorzien van drie schuine rode banen op een wit of geel vlak, kan worden geplaatst onder gevaarstekens met een van de symbolen J15, J10, of J11 mits aanvullende tekens in de vorm van borden met dezelfde vorm met respectievelijk een of twee schuine rode banen op een wit of geel vlak zijn opgesteld op ongeveer eenderde en tweederde van de afstand tussen het teken en de spoorlijn. Deze tekens mogen worden herhaald aan de tegenovergestelde zijde van de rijbaan.

J15

J10

J11

Indien een gevaarsteken wordt gebruikt om te waarschuwen voor een gevaar op een weggedeelte van een bepaalde lengte (bijvoorbeeld voor een reeks gevaarlijke bochten of een deel van de rijbaan dat in slechte toestand verkeert), en indien het wenselijk is de lengte van dat gedeelte aan te geven, dient zulks te worden gedaan op een onderbord.

Tekens die een bepaald voorschrift inhouden
Voorrangstekens

B1

B2

B6

B7

De tekens om weggebruikers van de bijzondere voorrangsregels bij kruisingen in kennis te stellen zijn tekens B1, B2, B6 en B7. De tekens om aan weggebruikers een voorrangsregeling op smalle weggedeelten kenbaar te maken zijn de tekens F5 en F6.

F5

F6


Teken B6

B6

VOORRANG VERLENEN wordt gebruikt om bestuurders ervan in kennis te stellen dat zij, op de kruising waar dit teken is geplaatst, voorrang moeten verlenen aan voertuigen op de weg die zij naderen.

Teken B7

B7

STOP wordt gebruikt om aan bestuurders kenbaar te maken dat zij, bij de kruising waar het teken is geplaatst, dienen te stoppen alvorens zich op die kruising te begeven en dat zij voorrang dienen te verlenen aan voertuigen op de weg die zij naderen.

Teken B6 of B7
Mag op een andere plaats dan bij een kruising worden geplaatst, indien het bevoegde gezag dit noodzakelijk acht. Tekens B6 en B7 dienen vlak voor kruisingen te worden geplaatst, indien mogelijk op één lijn met het punt waar voertuigen dienen te stoppen of waar zij niet voorbij mogen rijden wanneer zij voorrang moeten verlenen.
Voor het geven van een vóórwaarschuwingsteken voor teken B6 wordt het zelfde teken gebruikt, voorzien van een onderbord.
Voor het geven van een vóórwaarschuwingsteken voor teken B7, wordt teken B7 gebruikt, voorzien van een onderbord met het ,STOP’-symbool en een getal dat de afstand tot teken B7 aangeeft.

Teken B1

B1

VOORRANGSWEG dient te worden gebruikt om aan gebruikers van een weg kenbaar te maken dat, op kruisingen van deze weg met andere wegen, de bestuurders van voertuigen die op die andere wegen rijden of er vandaan komen, voorrang moeten verlenen aan de voertuigen die op deze weg rijden. Dit teken kan aan het begin van de weg worden geplaatst en na elke kruising worden herhaald; het kan ook vóór of bij de kruising worden geplaatst.

B2

Wanneer teken B1 op een weg is geplaatst, dient teken B2 EINDE VOORRANGSWEG te worden geplaatst bij het naderen van het punt waar de voorrangsweg ophoudt voorrang boven andere wegen te hebben. Teken B2 kan enige malen worden herhaald vóór het punt waar de voorrang eindigt; het teken of de tekens die voor dit punt zijn geplaatst, worden dan voorzien van een onderbord.

B3

B4

B5

Indien op een weg voor een kruising wordt gewaarschuwd door middel van een gevaarsteken dat een van de symbolen B3, B4 of B5 bevat, of indien de weg bij die kruising een voorrangsweg is en als zodanig is aangeduid door tekens B1, dient op alle andere wegen bij die kruising een teken B6 of B7 te worden geplaatst; het plaatsen van tekens B6 of B7 is echter niet verplicht op wegen zoals paden of niet-verharde wegen, waar bestuurders bij kruisingen ook voorrang dienen te verlenen wanneer een dergelijk teken ontbreekt. Een teken B7 dient uitsluitend te worden geplaatst indien het bevoegde gezag het raadzaam acht van bestuurders te eisen dat zij stoppen, met name uit hoofde van slecht zicht voor bestuurders op de weggedeelten aan beide zijden van de kruising die zij naderen.

Verbodstekens of beperkende tekens

C – Geslotenverklaring
Beschrijft de verbodstekens en beperkende tekens en geeft hun betekenis weer. Het beschrijft tevens de tekens die het einde van deze verboden en beperkingen, of van een van deze, aanduiden.

Gebodstekens

D – Rijrichting
Beschrijft de gebodstekens en geeft hun betekenis weer.

Bepalingen die op alle tekens van toepassing zijn
Verbods- en gebodstekens en beperkende tekens dienen te worden geplaatst in de onmiddellijke nabijheid van het punt waar het gebod, de beperking of het verbod begint en kunnen worden herhaald indien het bevoegde gezag zulks noodzakelijk acht. Indien het bevoegde gezag het raadzaam acht, uit hoofde van zichtbaarheid of om weggebruikers van te voren te waarschuwen, kunnen deze tekens evenwel op een passende afstand worden geplaatst vóór het punt waar het gebod, de beperking of het verbod van toepassing is. Onder de tekens die vóór het punt zijn geplaatst waar het gebod, de beperking of het verbod van toepassing is, wordt een onderbord geplaatst.

Tekens die een bepaald voorschrift inhouden en die op één lijn zijn geplaatst met het teken dat het begin van een bebouwde kom vermeldt, of kort daar achter, geven aan dat het voorschrift van toepassing is binnen de gehele bebouwde kom, tenzij door middel van andere tekens op bepaalde gedeelten binnen de bebouwde kom een ander voorschrift is aangegeven.

Verbodstekens of beperkende tekens zijn van toepassing vanaf de plaats waar zij zijn geplaatst tot aan het punt waar een teken staat dat het verbod of de beperking opheft, of anders tot aan de volgende kruising. Indien het verbod of de beperking van toepassing moet blijven na de kruising, wordt het teken herhaald in overeenstemming met de bepalingen in de nationale wetgeving.

Tekens die van toepassing zijn op alle wegen in een bepaalde zone (zonale geldigheid) dienen te worden geplaatst op alle wegen die tot de desbetreffende zone toegang geven. De zone dient bij voorkeur alleen wegen te omvatten die soortgelijke eigenschappen hebben.

Tekens die het einde van een zone aangeven, dienen te worden geplaatst op alle wegen die kunnen worden gebruikt om de zone te verlaten.

Tekens die een bijzonder voorschrift inhouden

H1

H2

Tekens H1 en H2
wijzen de weggebruikers op het feit dat de algemene bepalingen die op het grondgebied van de Staat het verkeer in de bebouwde kom regelen, van toepassing zijn vanaf deze tekens, behoudens afwijkende voorschriften, aangeduid door andere tekens op bepaalde weggedeelten in de bebouwde kom. Teken B2 wordt echter altijd geplaatst op een voorrangsweg die wordt aangegeven door middel van teken B1 wanneer deze weg binnen de bebouwde kom ophoudt een voorrangsweg te zijn.

Teken L13

Moet worden gebruikt bij tunnels van 1000 m of meer en in de bij nationale wetgeving bepaalde gevallen. Bij tunnels van 1000 m of meer moet de lengte worden vermeld ofwel in het onderste gedeelte van het teken ofwel op een onderbord. De naam van de tunnel mag worden vermeld.

Teken L2

Wordt geplaatst bij voetgangersoversteekplaatsen indien het bevoegde gezag zulks raadzaam acht.

De tekens die een bijzonder voorschrift inhouden worden alleen geplaatst op plaatsen waar het bevoegde gezag dit noodzakelijk acht. Deze tekens mogen worden herhaald; door middel van een onderbord mag de afstand tussen het teken en het aangegeven punt worden vermeld; deze afstand mag ook op het onderste gedeelte van het teken zelf worden vermeld.

Tekens betreffende informatie, voorzieningen of diensten

Opschrift informatieborden
Het opschrift op de informatieve tekens/toeristische informatieborden dienen in landen die geen Latijnse letters gebruiken, zowel in de landstaal te zijn aangebracht als met Latijnse letters te zijn herschreven op een wijze die de uitspraak in de landstaal zo dicht mogelijk benadert. In landen waar geen Latijnse letters worden gebruikt, mogen de woorden, die met Latijnse letters zijn geschreven ofwel op het zelfde teken worden aangebracht als de woorden in de landstaal, of op een herhalingsteken. Een teken mag geen opschriften bevatten in meer dan twee talen.

Vooraanduidingstekens
Vooraanduidingstekens dienen op zodanige afstand vóór de kruising te worden geplaatst dat hun doeltreffendheid overdag en ’s nachts zo groot mogelijk is, met inachtneming van de toestand van de weg en de verkeersomstandigheden, met name van de gebruikelijke snelheid van de voertuigen en van de afstand waarop het teken zichtbaar is; deze afstand hoeft niet groter te zijn dan 50 m binnen de bebouwde kom, maar mag niet minder zijn dan 500 m op autosnelwegen en op andere wegen met snelverkeer. De tekens kunnen worden herhaald. Een onderbord kan de afstand aangeven tussen het teken en de kruising; deze afstand kan ook op het onderste deel van het teken zelf worden aangegeven.

Tekens die een richting aangeven of een bebakening of aanduiding inhouden

Richtingtekens
Eén richtingteken mag de namen van verschillende plaatsen vermelden; de namen dienen dan op het bord onder elkaar te staan. De letters die voor één plaatsnaam zijn gebruikt mogen alleen groter zijn dan die voor de andere, indien de betrokken stad de grootste is.
Wanneer afstanden zijn aangegeven, dienen de desbetreffende cijfers op één lijn te zijn geplaatst met de plaatsnaam. Op pijlvormige richtingborden dienen deze cijfers tussen de plaatsnaam en de punt van de pijl te worden geplaatst; op rechthoekige borden dienen zij achter de plaatsnaam te worden geplaatst.

Tekens ter identificatie van een weg
De tekens die worden gebruikt om wegen te identificeren, hetzij door het aangeven van hun nummer, samengesteld uit cijfers, uit letters of uit een combinatie van cijfers en letters, hetzij door het aangeven van hun naam, dienen te bestaan uit dat nummer of die naam gevat in een rechthoek of een schild. Verdragsluitende Partijen die een wegenclassificatiestelsel hebben, kunnen de rechthoek echter vervangen door het symbool van hun wegenclassificatie.

Tekens ter identificatie van een plaats of plek
De tekens die worden gebruikt ter identificatie van een plaats of plek kunnen worden gebruikt om de grens tussen twee landen, of de grens tussen twee bestuurlijke onderdelen van hetzelfde land, of de naam van een rivier, een bergpas, een mooi plekje, enz. aan te duiden. Deze tekens dienen op opvallende wijze te verschillen van de borden uit bijlage 1 van het RVV 1990.

Bevestigingtekens
Bevestigingstekens kunnen worden gebruikt om de richting van een weg te bevestigen, indien het bevoegde gezag zulks noodzakelijk acht, bijvoorbeeld waar de weg een grote bebouwde kom verlaat. Deze tekens dienen de namen van één of meer plaatsen te vermelden. Wanneer de afstanden worden aangegeven, dienen de desbetreffende cijfers achter de plaatsnaam te worden geplaatst.

Bepalingen die algemeen op informatieve tekens van toepassing zijn
De informatieve tekens dienen te worden geplaatst waar het bevoegde gezag zulks raadzaam acht. Andere informatieve tekens dienen uitsluitend te worden geplaatst waar het bevoegde gezag zulks van wezenlijk belang acht.

Tekens betreffende bepaalde voorzieningen, dienen uitsluitend te worden geplaatst op wegen waarop de voorzieningen voor reparaties in noodgevallen, benzineverkoop, onderdak en het verkrijgen van verfrissingen en maaltijden zeldzaam zijn.

Informatieve tekens kunnen worden herhaald. Een onderbord kan de afstand aangeven tussen het teken en de plaats waarop het teken betrekking heeft; deze afstand kan ook worden aangegeven op het onderste deel van het teken zelf.

Lees verder:

Deel 1 – verdrag van Wenen: begripsomschrijving en verdragsluitende partijen.

Deel 3 – verdrag van Wenen: beschrijving van de verkeersborden

Bronnen
Overheid.nl
RVV 1990

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *