Verdrag van Wenen 1968 – Deel 1

Algemene bepalingen verdrag van Wenen

Hoofdstuk 1 geeft de begripsomschrijving weer,  vergelijkbaar met de begripsbepalingen van het RVV 1990) en de bepalingen waar partijen zich aan (moeten) houden.

Het betreft aangepaste weergaven met -in de deel 2 en 3- verwijzing naar de Nederlandse verkeersborden volgens het RVV 1990, bijlage 1. Voor de originele tekst gaat u naar:  wetten.overheid.nl 

Begripsomschrijving
Voor de toepassing van dit Verdrag hebben de onderstaande uitdrukkingen de daaraan in dit artikel toegekende betekenis:
Bebouwde kom: een gebied dat op de plaatsen waar men dit binnen- of uitrijdt door speciale verkeerstekens als zodanig wordt aangeduid, dan wel een gebied dat in de nationale wetgeving op andere wijze is omschreven.

Weg: het gehele oppervlak van elke weg of straat die voor het openbaar verkeer openstaat.

Rijbaan: dat deel van een weg dat gewoonlijk voor het verkeer met voertuigen wordt gebruikt; een weg kan een aantal rijbanen bevatten die duidelijk zichtbaar van elkaar gescheiden zijn, bijvoorbeeld door een scheidende strook of een verschil in niveau.

Rijstrook: elk van de delen waarin de rijbaan in de lengterichting kan worden verdeeld, al of niet aangegeven door strepen op het wegdek in de lengterichting, welke rijstrook voldoende breed moet zijn voor één rij rijdende motorvoertuigen, anders dan motorfietsen.

Fietsstrook: een deel van de rijbaan dat voor fietsen bestemd is. Een fietsstrook wordt van de rest van de rijbaan onderscheiden door op het wegdek in de lengterichting aangebrachte tekens.

Fietspad: een aparte weg of deel van een weg bestemd voor fietsen en die of dat als zodanig wordt aangegeven. Een fietspad wordt van andere wegen of andere gedeelten van dezelfde weg gescheiden door fysieke maatregelen.

Kruising: elke gelijkvloerse kruising, samenvoeging of splitsing van wegen, met inbegrip van de open stukken die door dergelijke kruisingen, samenvoegingen of splitsingen zijn ontstaan.

Overweg: gelijkvloerse kruising tussen een weg en een spoor- of tramweg met vrije baan.

Autosnelweg: een weg die speciaal is ontworpen en aangelegd voor verkeer met motorvoertuigen en waarop aanliggende percelen geen uitweg hebben en die:

  • behalve op bepaalde plaatsen of tijdelijk, is voorzien van gescheiden rijbanen voor beide verkeersrichtingen, welke rijbanen van elkaar gescheiden zijn hetzij door een scheidende strook die niet voor het verkeer is bestemd, hetzij, bij uitzondering, op andere wijze;
  • geen andere weg, spoor- of tramweg of voetpad op hetzelfde niveau kruist; en
  • door speciale verkeerstekens als autosnelweg is aangeduid.

Stilstaan en parkeren
Een voertuig wordt geacht:
Stilstaand te zijn wanneer het niet in beweging is gedurende de tijd die nodig is om personen te laten in- of uitstappen of om goederen in of uit te laden.
Geparkeerd te zijn wanneer het niet in beweging is om elke andere reden dan de noodzaak een conflictsituatie met een weggebruiker te vermijden of een botsing met een obstakel te vermijden, of om aan verkeersvoorschriften te voldoen, en wanneer de tijd gedurende welke het voertuig niet in beweging is niet is beperkt tot de tijd, nodig om personen te laten in- of uitstappen of om goederen in of uit te laden.

Het staat de Verdragsluitende Partijen echter vrij voertuigen die niet in beweging zijn als „stilstaand” te beschouwen gedurende een tijdsbestek dat de door de nationale wetgeving vastgestelde duur niet te boven gaat en niet in beweging zijnde voertuigen als „geparkeerd” te beschouwen wanneer deze voertuigen niet in beweging zijn zoals bij stilstaan en parkeren bedoeld, en dit het geval is gedurende een tijdsbestek dat de door de nationale wetgeving vastgestelde duur wel te boven gaat.

Fiets: elk voertuig met ten minste twee wielen, dat uitsluitend wordt voortbewogen door de spierkracht van de berijders, in het bijzonder door middel van pedalen of van met de hand bewogen hefbomen.

Bromfiets: elk voertuig met twee of drie wielen, dat is uitgerust met een verbrandingsmotor met een maximale cilinderinhoud van 50 cm3 en met een door de constructie bepaalde maximumsnelheid van ten hoogste 50 km per uur. Het staat de Verdragsluitende Partijen echter vrij krachtens hun nationale wetgeving niet als bromfietsen te beschouwen voertuigen die wat het gebruik betreft niet de eigenschappen van een fiets vertonen, in het bijzonder de eigenschap dat zij door pedalen kunnen worden voortbewogen, of waarvan de door de constructie bepaalde maximumsnelheid, het massa of bepaalde eigenschappen van de motor bepaalde grenzen overschrijden. Niets in deze omschrijving mag zó worden uitgelegd dat dit de Verdragsluitende Partijen zou beletten bromfietsen op dezelfde wijze te behandelen als fietsen wat betreft de toepassing van de bepalingen van hun nationale verkeerswetgeving.

Motorfiets: elk voertuig op twee wielen, met of zonder zijspanwagen, dat is voorzien van een voortstuwende motor. De Verdragsluitende Partijen kunnen in hun nationale wetgeving ook driewielige voertuigen als motorfietsen aanmerken, mits het ledig massa daarvan maximaal 400 kg bedraagt. De uitdrukking „motorfiets” heeft geen betrekking op bromfietsen hoewel de Verdragsluitende Partijen, mits zij hiertoe een verklaring afleggen overeenkomstig artikel 46, tweede lid, van dit Verdrag, voor de toepassing van dit Verdrag bromfietsen als motorfietsen kunnen beschouwen.

Gemotoriseerd voertuig: elk zichzelf over de weg voortstuwend voertuig anders dan een bromfiets, in de gebieden van de Verdragsluitende Partijen die bromfietsen niet als motorfietsen beschouwen, en anders dan een voertuig dat op rails wordt voortbewogen.

Motorvoertuig: elk gemotoriseerd voertuig dat gewoonlijk wordt gebruikt voor het vervoer van personen of goederen langs de weg, of om voertuigen, die worden gebruikt voor het vervoer van personen of goederen, langs de weg voort te trekken. Deze uitdrukking omvat mede trolleybussen, dat wil zeggen voertuigen die in verbinding staan met een elektrische geleiding, en niet op rails rijden. Zij heeft geen betrekking op voertuigen zoals landbouwtrekkers, die slechts bij uitzondering worden gebruikt om personen of goederen langs de weg te vervoeren, of om voertuigen, die personen of goederen vervoeren, langs de weg te trekken;

Aanhangwagen: elk voertuig dat is bestemd om door een gemotoriseerd voertuig te worden getrokken; de uitdrukking omvat tevens opleggers.

Oplegger: elke aanhangwagen die is bestemd om dusdanig aan een motorvoertuig te worden gekoppeld dat een deel ervan op het motorvoertuig rust en dat een aanzienlijk deel van het massa van de oplegger en van de lading door het motorvoertuig wordt gedragen.

Bestuurder: degene die een motorvoertuig of enig ander voertuig bestuurt (met inbegrip van een fiets), of die vee, hetzij enkele dieren hetzij in kudden, of trek-, last- of rijdieren op de weg onder zijn hoede heeft.

Maximum toegestaan massa: het maximumgewicht van het voertuig in beladen toestand, toegelaten door het bevoegde gezag van de Staat waar het voertuig is ingeschreven.

Totaalgewicht: het werkelijke massa van het voertuig, met inbegrip van lading, bemanning en passagiers.

Rijrichting en „overeenkomstig de rijrichting”: de rechterzijde indien, ingevolge de nationale wetgeving, de bestuurder een tegemoetkomend voertuig aan zijn linkerzijde moet laten voorbijgaan; in het omgekeerde geval betekenen deze uitdrukkingen: de linkerzijde.

Voorrang
Onder de eis dat de bestuurder andere voertuigen „voorrang” moet verlenen wordt verstaan dat hij niet mag doorrijden of een manoeuvre mag voortzetten, indien zulks de kans met zich zou brengen, dat bestuurders van andere voertuigen gedwongen worden de richting of de snelheid van hun voertuig plotseling te wijzigen.

Verkeersborden – Verdrag van Wenen

Verplichtingen van de Verdragsluitende partijen
De Partijen bij dit Verdrag aanvaarden het in dit Verdrag beschreven stelsel van verkeerstekens en -symbolen, alsmede van op het wegdek aangebrachte verkeerstekens, en verbinden zich dit zo spoedig mogelijk over te nemen.
Hiertoe verbinden de Verdragsluitende Partijen zich, onder voorbehoud van de tijdslimieten, aangegeven in het tweede en derde lid van dit artikel, wanneer dit Verdrag een verkeersteken, symbool of teken op het wegdek voorschrijft om een bepaalde regel of een bepaalde mededeling aan de weggebruikers kenbaar te maken, geen ander teken, symbool of teken op het wegdek te gebruiken om die regel of mededeling kenbaar te maken.

Staat het de Verdragsluitende Partijen vrij wanneer dit Verdrag geen verkeersteken, symbool of teken op het wegdek voorschrijft om een bepaalde regel of een bepaalde mededeling aan weggebruikers kenbaar te maken, voor deze doeleinden elk teken, symbool of teken op het wegdek te gebruiken dat zij willen, mits een dergelijk teken, symbool of teken op het wegdek in dit Verdrag geen andere betekenis is toegekend, en mits het overeenkomt met het door het Verdrag voorgeschreven stelsel.

Ten einde de technieken voor regeling van het verkeer te verbeteren, en met het oog op het nut van proefnemingen alvorens wijzigingen op dit Verdrag voor te stellen, staat het de Verdragsluitende Partijen vrij, tijdelijk en voor experimentele doeleinden, op bepaalde weggedeelten af te wijken van de bepalingen van dit Verdrag.

De Verdragsluitende Partijen verbinden zich, uiterlijk vier jaar na de datum van inwerkingtreding van dit Verdrag in hun grondgebieden, alle verkeerstekens, symbolen, installaties of tekens op het wegdek te vervangen of aan te vullen, die, hoewel zij de kenmerken bezitten van een verkeersteken, symbool, installatie of teken op het wegdek behorend tot het door het Verdrag voorgeschreven stelsel, in het gebruik een andere betekenis hebben dan die welke daaraan door dit Verdrag wordt toegekend.

De Verdragsluitende Partijen verbinden zich ertoe, binnen vijftien jaar na de datum van inwerkingtreding van dit Verdrag in hun grondgebieden, alle verkeerstekens- symbolen, installaties of tekens op het wegdek te vervangen, die niet overeenkomen met het door het Verdrag voorgeschreven stelsel. Ten einde weggebruikers vertrouwd te maken met het in dit Verdrag voorgeschreven stelsel, kunnen gedurende deze periode vroegere verkeerstekens en -symbolen nog worden gebruikt naast die welke in dit Verdrag zijn voorgeschreven.

Niets in dit Verdrag mag zo worden uitgelegd dat dit van de Verdragsluitende Partijen zou eisen dat zij alle typen verkeerstekens en tekens op het wegdek die in dit Verdrag zijn voorgeschreven zouden moeten overnemen. De Verdragsluitende Partijen dienen integendeel het aantal typen verkeerstekens of tekens op het wegdek dat zij aannemen, tot het hoogst noodzakelijke te beperken.

De Verdragsluitende Partijen verplichten zich ervoor te zorgen dat het verboden is
Aan een verkeersteken, aan de paal of standaard daarvan, of aan andere installaties waarmee het verkeer geregeld wordt, wat dan ook te bevestigen dat niets te maken heeft met het doel van zo’n teken of installatie; indien de Verdragsluitende Partijen of onderdelen daarvan echter een organisatie zonder winstoogmerk machtigen informatieve tekens te installeren, kunnen zij deze organisatie ook toestaan het eigen embleem op het teken of de paal of standaard aan te brengen, mits dit de begrijpelijkheid van het teken niet vermindert.

Borden, mededelingen, aanduidingen of installaties aan te brengen, die verward zouden kunnen worden met verkeerstekens of andere verkeersregelende apparaten, deze minder goed zichtbaar of minder doeltreffend zouden maken, of weggebruikers zouden kunnen verblinden of hun aandacht zouden kunnen afleiden op een wijze die de verkeersveiligheid in gevaar brengt.

Lees verder:

Deel 2 – verdrag van Wenen: algemene informatie en plaatsing van verkeersborden.

Deel 3 – verdrag van Wenen: beschrijving van de verkeersborden.

Bronnen
Overheid.nl
RVV 1990

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.