Theorie – Gevaarherkenning & verkeersinzicht

Website autorij-instructie.nlUitleg gevaarherkenning en verkeersinzicht

Bij het afleggen van het theorie-examen voor het rijbewijs B en AM, wordt je beoordeeld op 25 verschillende onderdelen. Belangrijke onderdelen zijn de gevaarherkenning en het verkeersinzicht. Je kennis van de theorie wordt tijdens het examen getest. Het slagingspercentage voor het theorie-examen voor het rijbewijs B en AM ligt bij het CBR onder de vijftig procent voor het eerste examen. Veel fouten worden bij de theorie gemaakt bij de onderwerpen gevaarherkenning en verkeersinzicht. Wat zijn de aandachtspunten bij deze onderwerpen? Hoe bereid je jezelf goed voor en wat moet je weten over deze onderwerpen om een goede kans te maken te slagen voor je theorie-examen?

Score bij het theorie-examen

“VerkeersPro” heeft een publicatie -waarin de scores van de diverse onderdelen/onderwerpen die tijdens het theorie-examen aan bod komen over de periode 2012-2015- uitgegeven. De cijfers over de verschillende onderwerpen zijn verstrekt door het CBR en uitgedrukt in een percentage van goed beantwoorde vragen per bevraagd onderdeel.

Gevaarherkenning en verkeersinzicht

Meest in het oog springend zijn de scores van plusminus 70 procent voor de onderdelen gevaarherkenning en verkeersinzicht. Binnen het theorie-examen worden over het onderwerp gevaarherkennig 25 vragen gesteld, waarvan er minimaal 13 goed beantwoord moeten worden om voor dit onderdeel te slagen. Gemiddeld worden er door de kandidaten 8 fouten gemaakt, daar waar 12 fouten maximaal zijn toegestaan. Over verkeersinzicht zijn 10 vragen opgenomen, over verkeersregels 30 vragen. Van deze 40 vragen moet je er minimaal 35 goed kunnen beantwoorden.

Inhoud van de theorie voor de verschillende onderdelen

De onderdelen zijn gerangschikt naar de hoogte van het slagingspercentage. Verder zijn de onderwerpen gevaarherkenning en verkeersinzicht (J en K) nader uitgewerkt om meer inzicht te geven in de vraagstelling /probleemstelling.

  • G = risico’s i.v.m. toestand bestuurder (90.1%)
  • P = voor laten gaan voorrangsvoertuigen, militaire colonnes, uitvaartstoeten en trams (89.4%)
  • V = geven van tekens en signalen; gebruik gevarendriehoek (88.3%)
  • K = risico’s i.v.m. weg-, zicht- en weersomstandigheden (87.7%)
  • Q = uitvoeren van / voor laten gaan bij bijzondere manoeuvres (86.6%)
  • Z = verkeerstekens op het wegdek (86.4%)
  • F = milieubewuste en energiezuinig rijden (86.3%)
  • B = bepalingen rijbevoegdheid en rijbewijzen (85.9%)
  • O = voor laten gaan van blinden, gehandicapten en voetgangers (85.8%)
  • Y = verkeerslichten en aanwijzingen (85.6%)
  • S = inhalen (85.3%)
  • W = gebruik van lichten (85.2%)
  • C = inrichting, belading en slepen van voertuigen (84.6%)
  • D = techniek, onderhoud en controle van voertuigen (84.2%)
  • A = algemene bepalingen verkeerswetgeving (84.2%)
  • N = voor laten gaan bij het afslaan (83.9%)
  • L = handelen bij ongevallen en pech onderweg (83.9%)
  • X = verkeersborden (83.7%)
  • E = gebruik gordels en helmen; zitplaats voor passagiers (83.2%)
  • T = snelheid (82.6%)
  • M = voor laten gaan op kruispunten (verlenen van voorrang) (82.5%)
  • J = risico’s i.v.m. aanwezigheid en gedrag ander verkeer (81.5%)
  • U = stilstaan en parkeren (81.4%)
  • R = plaats op de weg en voorsorteren (79.0%)
  • H = risico’s i.v.m. eigenschappen en toestand eigen voertuig (76.5%)
  • J = gevaarherkenning, risico’s in verband met aanwezigheid en gedrag ander verkeer (71.0%)
  • K = gevaarherkenning, risico’s in verband met weg-, zicht- en weersomstandigheden (70.6%)
Gevaarherkenning en verkeersinzicht nader bekeken

Bij de onderwerpen J en K gaat het er om dat je de risico’s kunt benoemen die kunnen ontstaan bij verkeersdeelname in bepaalde weg-, zicht- en weersomstandigheden en hoe je het eigen gedrag hier op afstemt of aanpast. Daarnaast wordt verwacht dat je inzicht hebt in de wisselende verkeerssituaties en kennis hebt van de verkeersregels en verkeersborden volgens het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990.
(de uitwerking van de volgende onderwerpen dienen als voorbeeld en/of verduidelijking en kunnen naar eigen inzicht worden aangevuld.)

Wegomstandigheden

Aansluitingen van wegen (onder andere T-splitsing, bajonetsplitsing)
Op een aansluiting van wegen komen verschillende verkeersstromen samen. Dit kan een bajonetsplitsing, T-splitsing, volwaardige kruispunt of voorrangskruispunt zijn, maar ook op- en afritten van autowegen of autosnelwegen. Bij nadering, rijden en overrijden zal ieder kruispunt een gedrag vragen dat afgestemd moet worden op de bewuste aansluiting.

Aard van het wegdek
De aard van het wegdek is bepalend voor het stuur- en remgedrag van het voertuig en vraagt daarom een aangepaste snelheid. Op een slecht bestrate weg zal een andere snelheid en stuurgedrag noodzakelijk zijn dan op strak asfalt. Instabiele weggebruikers als bijvoorbeeld fietsers zullen meer moeite hebben hun koers te houden bij een slecht of matig wegdek. Dit maakt dat je meer onderlinge afstand aan zal moeten houden bij voorbij gaan.

Bebakening en reflectoren
Bebakening is aangebracht boven of naast de weg en regelen de verkeersstromen en waarschuwen of beveiligen. Reflectoren laten het verloop van een weg zien. Bij bebakening valt bijvoorbeeld te denken aan de bakens die de afstand tot een spoorwegovergang aangeven op 240, 160 en 80 meter afstand, maar ook bochtschilden of hekwerken bij wegwerkzaamheden.

Begroeiing
Begroeiing of beplanting kan bepalend zijn voor het zicht dat je hebt, of beter gezegd niet hebt. Dit kan er voor zorgen dat je een kruispunt, in- of uitrit voorzichtig moet naderen en oprijden om jezelf voldoende rijzicht te verschaffen. Bij bomen langs een weg kan het noodzakelijk zijn dimlicht te voeren om zelf beter zichtbaar te zijn.

Doelgroepstroken
Doelgroepstroken zijn bedoeld voor bepaalde groepen weggebruikers. Meest bekend is die voor een autobus, maar ook voor vrachtauto’s, motorfietsen, fietsen en zelfs voor voetgangers kunnen doelgroepstroken bestaan. Als een rijstrook of deel van de rijbaan voor één van de genoemde doelgroepen is gereserveerd, wordt dit door middel van een verkeersbord kenbaar gemaakt, al dan niet voor bepaalde tijden/dagdelen.

Erven
Erven mogen door voetgangers (spelende kinderen) over de gehele breedte gebruikt worden; voetgangersvoorzieningen (stoep) ontbreken. Binnen een erf staat wonen, verblijven en spelen voorop. Dit vraagt een aangepast rijgedrag met een maximale toegestane snelheid van 15 km/u. Parkeren door motorvoertuigen is alleen toegestaan in de daartoe bedoelde parkeervakken. Binnen erven gelden verder wel de “normale” verkeersregels.

Erftoegangswegen
Op erftoegangswegen kun je alle soorten weggebruikers aantreffen, waarop je snelheid en aandacht afgestemd moet zijn. Deze wegen geven toegang tot een “erf”, straat, woon- of verblijfsgebied. Binnen de bebouwde kom kunnen dit ook 30-km wegen zijn, buiten de bebouwde kom 60-km wegen.

Gebiedsontsluitingswegen
Deze wegen ontsluiten gebieden. Dit zijn wegen die bijvoorbeeld het doorstromen tussen dorpen of woonwijken, winkelcentra of bedrijventerreinen bevorderen. Op gebiedsontsluitingswegen wordt binnen de bebouwde kom meestal maximaal 50, 60 of 70 km/u gereden, buiten de bebouwde kom 80 km/u. Afhankelijk van de situatie en de maximum toegestane snelheid kunnen er fietssuggestiestroken, naastgelegen fietspaden zijn, en wel of geen bromfietsers op de rijbaan, tractoren etc.

Invloed verkeersdrukte op veiligheid
Drukte binnen het verkeer vraagt meer aandacht en concentratie. Je krijgt te maken met verschillende groepen verkeersdeelnemers, die ieder een eigen benadering vragen. Vererger het gedrag van anderen niet en vang de eventuele fouten van andere verkeersdeelnemers op. Houd rekening met het milieu, de veiligheid, de doorstroming en toon sociaal verkeersgedrag.

Kleuren wegmarkering
Binnen de wegmarkering valt een onderscheid te maken tussen witte, gele, blauwe, tijdelijke gele en groene wegmarkering.

  • Witte wegmarkering is onder andere aangebracht als kantstrepen, middenasstrepen, puntvlakken, geleidingsstrepen, voorsorteervakken, stopstrepen, haaientanden. Deze belijning geeft de begrenzing van een weg aan, regelt/ondersteunt de voorrang, bepaalt de mogelijkheid of onmogelijkheid tot inhalen of bepaalt de gewenste rijrichting. Daarnaast heb je witte wegmarkering, aangebracht op het wegdek voor kruispunten (verkeersbord B6 en B7), doelgroepen, voetganger oversteekplaatsen etc.
  • Gele wegmarkering is aangebracht om het verbod tot parkeren (onderbroken gele streep) of het verbod om stil te staan (doorgetrokken gele streep) aan te geven.
  • Blauwe wegmarkering vind je om de mogelijkheid tot parkeren voor een bepaalde tijd aan te geven, met gebruik van de parkeerschijf.
  • Gele tijdelijke markering betreft markering bij wegomleggingen, wegwerkzaamheden etc., waarbij de snelheid doorgaans met minimaal 20 km/u teruggebracht zal worden.
  • Groene markering wordt tussen de middenasstrepen op stroomwegen aangebracht waar maximaal 100 km/u gereden mag worden.

Voor motorrijders (maar ook fietsers, bromfietsers) geldt dat deze verkeersdeelnemers instabiel zijn en gladheid kunnen ondervinden bij het overrijden van op het wegdek aangebrachte markering.

Obstakels
Obstakels op de weg kunnen bijvoorbeeld geparkeerde auto’s, containers, afzettingen bij werkzaamheden, zwerfvuil, takken etc. zijn. De bestuurder die de obstakels op zijn of haar weghelft vindt, moet het tegemoet komende verkeer voor laten gaan. Daarnaast kan het raadzaam zijn voor de veiligheid en de doorstroming om de ander extra ruimte te verschaffen door zo veel mogelijk naar rechts te sturen. Let hierbij wel op een stabiele ondergrond (de berm) om de uitwijkactie uit te kunnen voeren.

Ongevalskansen op diverse soorten wegen
Het type bestrating is mede bepalend voor de stabiliteit/gladheid voor het voertuig en daarmee het stuurgedrag, de stopafstand, de volgafstand en de wenselijke snelheid.

  • De kans op een ongeval is binnen de bebouwde kom, waar veel verkeersconflicten kunnen ontstaan het grootst, met name rondom en op kruispunten.
  • Op wegen buiten de bebouwde kom krijg je te maken met wisselende snelheden omdat er verschillende groepen bestuurders van deze wegen gebruik mogen maken (landbouwvoertuigen, fietsers, bromfietsers, brommobielen). In agrarische gebieden kan er gladheid ontstaan door klei op de rijbaan.
  • Op autowegen -waar over het algemeen een maximum toegestane snelheid van 100 km/u geldt- ligt de kans op een ongeval met name in situaties waar je kruisend verkeer hebt. Langzaam rijdend verkeer hoef je in principe niet te verwachten op een autoweg.
  • Autosnelwegen zijn in principe de veiligste wegen. Bestuurders van motorvoertuigen rijden met min of meer de zelfde snelheid in eenzelfde rijrichting, kruisend verkeer is er niet, tegemoetkomend verkeer is afgeschermd door middel van een middenberm en vangrail. Omdat de toegestane snelheid op autosnelwegen hoger ligt dan op de overige wegen, zijn de gevolgen bij een ongeval vaak wel groter, ook al is de kans op een ongeval het kleinst.

Snelheidsremmers
Snelheidsremmers kunnen nodig zijn in verblijfsgebieden waar een lagere snelheid van belang is, bijvoorbeeld in woonwijken, bij scholen, winkelcentra, bij voetgangersoversteekplaatsen en kruispunten. Zowel de verkeersveiligheid als de leefbaarheid (geluidsniveau, uitlaatgassen, veiligheid voetgangers) zijn hierbij gebaat. Snelheidsremmers zorgen in alle gevallen voor een daling in vergelijking met situaties waar deze niet zijn aangebracht. Gemiddelde bedraagt de daling van letselongevallen 15%.

Spitsstroken
Een spitsstrook is een extra rijstrook, gelegen op een vluchtstrook aan de rechterkant van de rijbaan, of een rijstrook aan de linkerkant van de snelweg. Spitsstroken worden alleen opengesteld tijdens drukke momenten in het verkeer. Omdat er voor het verkeer tijdelijk de mogelijkheid bestaat gebruik te maken van een extra rijstrook, stroomt het verkeer vlotter door en ontstaan er minder files. Bovendien vinden er minder kop-staartbotsingen plaats op trajecten waar spitsstroken zijn aangelegd, omdat er meer spreiding van het verkeer is.
Ook voor spitsstroken geldt “plaats op de weg is rechts”. Dit betekent dat er gebruik gemaakt moet worden van de spitsstrook zodra het verkeersbeeld dit toelaat. In tegenstelling tot in andere gevallen, mogen doorgetrokken witte strepen/markering bij een spitsstrook wel overreden worden.

Spoorvorming
Bij spoorvorming heb je een uitholling/beschadiging van het wegdek, veelal veroorzaakt door het vrachtverkeer. Hierdoor ontstaat een breed spoor, waar vooral personenauto’s en motorrijders last van kunnen hebben. Door het smallere spoor van de auto of motor krijg je een “zoekend” stuurgedrag en bij regen kan er in de sporen regenwater blijven staan, waardoor de banden minder grip hebben op het wegdek (aquaplaning).

Stroomwegen
Stroomwegen hebben tot doel het verkeer vlot, veilig en soepel door te laten stromen. Dit type weg -buiten de bebouwde kom- kunnen N-wegen, autowegen of autosnelwegen zijn. Het gebruik van stroomwegen is alleen toegestaan voor motorvoertuigen die tenminste harder dan 50 km/u mogen en kunnen rijden.

(tijdelijke) markering
Bij wegwerkzaamheden kunnen tijdelijke gele markeringen worden aangebracht op het wegdek. Deze markering dient ter vervanging van de gebruikelijke witte markering. De gele markering is bepalend en moet gevolgd worden.

Toestand van het wegdek
De toestand van het wegdek is mede bepalend voor de koersvastheid van je voertuig en is van invloed op het stuurgedrag en de stopafstand/remweg. Daarnaast wordt rekening gehouden met het zelfde probleem dat andere bestuurders op het wegdek kunnen ondervinden en op de instabiliteit van voetgangers, fietsers, snorfietsers en andere instabiele weggebruikers.

Tunneleffect
Van een tunneleffect is sprake wanneer de open ruimte aan weerszijden van de weg sterk wordt beperkt, wat invloed kan hebben op het rijgedrag. Het effect wordt sterker naarmate de wanden zich dichter langs de weg bevinden en hoger zijn (tunnels, geluidsschermen, bruggen). Wees bedacht op snelheidsverschillen of afwijken van de ideale rijlijn door bestuurders die “angstig” zijn.

Tunnels
Houd bij het rijden voor, in en uit een tunnel de snelheid zo constant mogelijk, ontsteek de lichten, en houd rekening met het feit dat de ogen zich moeten omschakelen van licht naar donker en van donker naar licht. De lengte van de tunnel staat voor de tunnel op een verkeersbord (L13) aangegeven.Zie ook “Tunneleffect”.

Uitritten
Bij het in- of uitrijden van een straat of wijk kan je te maken krijgen met een in- of uitrit. Maar ook bij woningen, uitritten bij bedrijfspanden en dergelijke kan dit het geval zijn. Uitritten herken je aan bepaalde kenmerken van bestraten. Bij het in- of uitrijden van een uitrit laat je al het overige verkeer voor gaan, wat een gericht en intensief kijkgedrag vraagt. (al het verkeer zijn bestuurders en voetgangers)
Bij inrijden van een uitrit heeft het de voorkeur bestuurders die de uitrit verlaten voor te laten. Dit omdat de toeleidende weg doorgaans breder is en bestuurders op deze weg meer ruimte hebben manoeuvreren.

Verblijfsgebieden
Verblijfsgebieden zijn aaneengesloten gebieden met een woon-, winkel- of werkfunctie, waar de maximumsnelheid bij voorkeur niet hoger ligt dan 30km/u. Verblijfsgebieden -die een positieve invloed hebben op de veiligheid en de leefbaarheid- zijn in principe zo ingericht, dat alleen bestemmingsverkeer hier gebruik van maakt. Het doorgaande autoverkeer wordt zoveel mogelijk omgeleid. In deze gebieden geldt extra aandacht voor voetgangers, (snor)fietsers, bromfietsers en “zoekend” verkeer.

Verkanting
Een wegverkanting is van invloed op de middelpunt vliedende kracht. (de mate waarin het gevaar ontstaat uit de bocht te vliegen)
Bij een positieve verkanting ligt de buitenzijde van de bocht hoger dan de binnenzijde, bij een negatieve verkanting is dit andersom. De wegverkanting “stuurt” de auto als het ware naar de goede zijde van de rijbaan om zodoende het ronden van de bocht te vergemakkelijken, mits er met aangepaste snelheid gereden wordt.

Weefvakken
Bij weefvakken komen verkeersstromen die de (autosnel)weg willen verlaten en deze willen oprijden samen. Bestuurders die aan komen rijden om de weg te verlaten, zullen snelheid verminderen, daar waar bestuurders die de (autosnel)weg op willen rijden snelheid zullen meerderen. Snelheidsverschillen en het creëren van voldoende ruimte voor de beide verkeersstromen vormen hier het grootste aandachtspunt. Het verdient de voorkeur om invoegende bestuurders voor te laten gaan, om de doorstroming op de doorgaande rijbaan niet te zeer te belemmeren.

Zones
Een verkeerszone is een gebied waar de maximumsnelheid wordt teruggebracht om de verkeersveiligheid te vergroten. (zie ook verblijfsgebieden)
30-km zones worden binnen de bebouwde kom aangelegd in verblijfsgebieden.
60-km zones worden buiten de bebouwde kom aangelegd, waar een hogere snelheid door de verkeersintensiteit in combinatie met de weg- en/of de omgevingsomstandigheden niet wenselijk is.

Weersomstandigheden

Aquaplaning en regen
Aquaplaning ontstaat door een waterfilm tussen de band(en) en het wegdek. Je rijdt als het ware op/over het water omdat het profiel in de band de hoeveelheid water niet meer af kan voeren. Verminderde grip bij aquaplaning kan ontstaan door te weinig profieldiepte van de band of een te brede band, spoorvorming op het wegdek veroorzaakt door met name vrachtauto’s, een te hoge snelheid binnen de omstandigheden, of een combinatie van deze factoren. Heb je te maken met aquaplaning, verminder je snelheid, rem en ontkoppel niet en blijf sturen in de gewenste rijrichting. Bij remmen zou één van de wielen kunnen blokkeren. Zorg voor een goede conditie van de ruitenwissers.

IJzel, sneeuw
Bij gladheid kunnen de banden de grip verliezen, waardoor het gevaar op slippen kan ontstaan. Pas de snelheid aan aan de weersomstandigheden. Bij wegrijden met een weinig gas of in de tweede versnelling, kan voorkomen worden dat de wielen doorslippen. Het rijden met gepaste snelheid kan in een hogere versnelling. Snelheid verminderen kan dan in veel gevallen door terug te schakelen zonder de rem te hoeven gebruiken. Houd een grotere volgafstand aan, zodat je jezelf meer tijd geeft rustig te kunnen handelen. Vermijd krachtig remmen bij een stop; rem vroegtijdig en gedoseerd. Wees bij temperaturen rond het vriespunt bedacht op gladheid op bruggen en viaducten.
Controleer ruim voor de intrede van een vorstperiode de ruitenvloeistof en voeg antivries toe. Maak voor aanvang van de rit de ramen rondom schoon, evenals de verlichting en de autospiegels. Controleer of de ruitenwisser niet zijn vastgevroren.

Gladheid
Gladheid hoeft niet alleen te ontstaan door ijzel of sneeuw, maar kan bijvoorbeeld ook ontstaan door:

  • De overgang van ZOAB (zeer open asfaltbeton) naar traditioneel asfalt.
  • De overgang van een asfaltweg naar een klinkerweg.
  • Modder op de rijbaan door landbouwvoertuigen of (weg)werkzaamheden.
  • Regen na een lange periode van droogte (“oplossen” van vuil en olie op de weg)
  • Schaduw- of condensplekken onder bomen, een bruggen en viaducten.

Mist
Er is sprake van dichte mist als het zicht minder bedraagt dan 200 meter. Het mistachterlicht mag pas gevoerd worden bij zeer dichte mist of sneeuwval waarbij het zicht minder is dan 50 meter. Bij regen nooit, omdat het mistachterlicht dan een hinderlijke reflectie op het wegdek kan geven. Rijd bij mist niet op de achterlichten van een voorligger, maar kijk voldoende ver vooruit om mist(banken) te signaleren, vergroot de volgafstand en pas de snelheid aan.

Wind
Harde wind of windstoten hebben invloed op de stabiliteit van de weggebruiker. Met name instabiele verkeersdeelnemers (voetgangers, fietsers, bromfietsers, motorrijders) kunnen plotseling van de koers afwijken of een stuurcorrectie moeten doorvoeren bij harde wind of rukwinden. Ook vragen voertuigen met aanhangwagen of caravan en vrachtauto’s extra aandacht bij harde wind. Wees ook bedacht op afvallende takken en andere obstakels op de weg ten gevolge van de wind.

Zomerbanden/winterbanden
Er is veel discussie over het nut van winterbanden in Nederland. Over het algemeen wordt gesteld dat een winterband bij een temperatuur, lager dan 6 á 7 graden, veiliger is. De samenstelling van de band is dusdanig, dat in winterse omstandigheden meer grip ontstaat. Bij regen en hogere temperaturen heeft de band veelal echter een langere remweg.
Nadeel ontstaat door niet tijdig omwisselen/te lang doorrijden met de band zodra de weersomstandigheden beter worden. Een “normale band” of vier-seizoenenband presteert dan beter.

Dag en nacht/donker, schemering, licht en duisternis
In de schemerperiode hebben onze ogen het moeilijk met de omschakeling van licht naar donker of van donker naar licht. Autorijden in het donker is voor veel mensen lastiger dan overdag. Er is minder licht en hierdoor minder zicht en het blikveld is kleiner dan overdag.
In het donker worden de pupillen groter waardoor minder scherp gezien wordt. Eventuele nachtblindheid maakt onzeker, contouren worden niet goed waargenomen en auto rijden mogelijk niet of beperkt mogelijk.

Openbare verlichting
Openbare verlichting wordt ingezet om het zicht te verbeteren op tijden en plaatsen waar de natuurlijke lichtbronnen niet toereikend zijn. Uit diverse onderzoeken is gebleken dat openbare verlichting een overwegend gunstig effect heeft op de verkeersveiligheid, het omgekeerde is het geval als verlichting ontbreekt. Pas de snelheid aan aan de omstandigheden, houd een grotere volgafstand tot de voorligger aan. Voer om het zicht te verbeteren eventueel groot licht. Groot licht mag niet gevoerd worden op de dag en als je andere weggebruikers hindert (achteropkomend en tegemoet komend).

Schaduw
In de herfst zullen wegen of weggedeelten die in de schaduw liggen (bomen, gebouwen, viaducten) kouder en waarschijnlijk natter zijn dan de rest van de wegen, wat eerder slipgevaar kan geven. Weggebruikers die uit de schaduw komen, kunnen later opgemerkt worden, vooral als deze geen licht (kunnen) voeren. Extra aandacht op -vooral- kruispunten waar dit probleem zich voordoet. Rijd je zelf in de schaduw, voer dan minstens dimlicht.

Zonlicht
Zonlicht kan een verblindend effect hebben. Vooral in het vroege voorjaar, najaar en de winter kan de laagstaande zon het zicht bemoeilijken. Met de zon in je rug word je slecht waargenomen door andere weggebruikers, rijd je tegen de zon in, dan zie je zelf minder wat er voor je gebeurt en word je door achteropkomend verkeer slecht waargenomen. Hierdoor kunnen situaties ontstaan waardoor plotseling geremd wordt of andere weggebruikers niet of te laat worden opgemerkt. Ontsteek het dimlicht, gebruik bij voorkeur een zonnebril, of de zonneklep in de auto. Zorg voor schone autoruiten en autospiegels.
Bij een hete zomerzon kan de zon invloed hebben op het gedrag en reactievermogen door (over)verhitting. In de auto kan het gebruik van de airco wenselijk zijn om fitter te blijven.

Vooral voor rijbewijs A en AM
Bij het rijden op een snorfiets, bromfiets of motorfiets dient rekening gehouden te worden met het instabiele karakter bij harde wind. Rottende of natte bladeren of modder op de weg kunnen slipgevaar veroorzaken, dit geldt ook voor regen na een lange droge periode. Bij regen na een lange droge periode, weken vuil en olie op, zodat gladheid kan ontstaan in een omstandigheid waar je het misschien niet direct verwacht.

Verkeersinzicht

Inzicht in een verkeerssituatie en inzicht in de belangen voor jezelf en/of andere weggebruikers en gevolgen van het verkeersgedrag.
Taakprocessen:
Het gaat om het inzicht/belang van een scherpe en bewuste waarneming en de processen:
Voorspellen
Evalueren
Beslissen
Handelen

Oplettendheid

  • Anticiperen: bij het goed vooruitzien, anticiperen en het filteren voor de voor jouw belangrijke informatie is ook een effectief kijkgedrag van belang.
  • Verkeersinzicht: houd binnen het verkeer rekening met het onverwachte! Verkeersinzicht is het vermogen of inzicht te handelen in niet geregelde situaties. Dit houdt in: alles wat in het verkeer geregeld is door middel van aanwijzingen, verkeersregels, verkeerstekens en bij wet, is géén verkeersinzicht. Verkeersinzicht heeft wel te maken met o.a. aangepast verkeersgedrag, sociale aspecten, betere doorstroming, veiligheid en sparen van het milieu.
  • Besluitvaardigheid: je toont je een besluitvaardig bestuurder bij het afstemmen van je gedrag en de snelheid op het gedrag van de overige weggebruikers. Van niet besluitvaardig rijgedrag is sprake als je te veel twijfelt, te langzaam rijdt ten opzichte van het overige verkeer, of geen beslissing tot handelen durft te nemen als dit gezien het verkeersbeeld wel kan.
  • Verwachtingspatroon: over het algemeen zul je bepaalde verwachtingen hebben binnen een bepaalde verkeerssituatie. Dit is goed omdat er naarmate de ervaring toeneemt, automatismen binnen je rijgedrag zullen ontstaan. Je hebt soortgelijke verkeerssituaties al eens meegemaakt. Maar…omdat iedere verkeerssituatie toch weer kan afwijken van een vorige, moet je altijd alert zijn om veilig en adequaat op steeds wisselende situaties te kunnen reageren. Probeer je ook in te denken wat de verwachting van de andere weggebruiker zal zijn in de situatie waarin je jezelf bevindt.
Houding

Defensief rijgedrag
Defensief rijgedrag is gericht op het voorkomen van problemen of ongevallen in het verkeer. Dit doe je onder andere door ver vooruit te kijken en mogelijke gevaren te voorzien, zodat je in staat bent hier op te reageren als dit nodig mocht zijn én de fouten van een ander op te vangen. Je houdt rekening met de weg- en omgevingsomstandigheden en past hier je snelheid en gedrag op aan.

Sociaal rijgedrag en menselijke beperkingen
Sociaal gedrag begint met je te houden aan de regels en voorschriften, maar betekent tevens dat je als bestuurder niet alleen rekening houdt met je eigen veiligheid en de doorstroming voor jezelf, maar ook met die van een ander. Er wordt tevens van je verlangd dat je kennis hebt van alle groepen verkeersdeelnemers in het verkeer en rekening houd met de eventuele mogelijkheden en onmogelijkheden van deze groepen. Heb speciaal aandacht voor zwakkere verkeersdeelnemers, ouderen die zich moeizaam voortbewegen en personen met een visueel probleem. Voor jongeren geldt dat zij speels of onervaren kunnen zijn, de gevaren niet zien, en de nodige verkeerskennis nog niet hebben of onvoldoende weten toe te passen.
Besef ook dat het gedrag en de manier van handelen worden beïnvloed door het weer. Bij hevige regen zal men anders handelen dan bij zonnig weer. Ook zal er verschil zijn tussen beginnende bestuurders en ervaren bestuurders.

Communiceren met andere weggebruikers
Om duidelijkheid te verkrijgen binnen bepaalde verkeerssituaties kan het raadzaam zijn de ander door middel van een lichtsignaal, armgebaar of oogcontact kenbaar te maken wat je zelf wilt gaan doen, of bevestigd te krijgen wat de ander zal gaan doen. Dit bevordert de rij-beleving en de doorstroming in positieve zin.

Afstand bewaren
Het aanhouden van voldoende afstand en/of volgafstand vergroot de veiligheid voor jezelf en andere weggebruikers. Door het creëren van een “ruimtekussen” rondom de auto geef je jezelf meer tijd te reageren op een -al dan niet plotseling- voorkomende verkeerssituatie.
Realiseer je dat je op een droog wegdek, bij een snelheid van plusminus 50 km/u, een afstand van plusminus 14 meter aflegt in één seconde. Bij 100 km/u is dit al bijna 28 meter per seconde.

Stopafstand = reactietijd plus remweg
Een ervaren bestuurder heeft -in het meest positieve geval- ongeveer één seconde nodig voordat hij of zij reageert. Dit betekent dat je bij een snelheid van 50 km/u al minimaal 14 meter hebt afgelegd, zonder dat de auto ook maar iets vertraagt. Na de reactietijd wordt de rem pas ingetrapt. Bij ideale omstandigheden (mooi weer, goede banden, uitgerust) is de remweg gemiddeld 12 meter.
De stopafstand is nu: reactietijd + remweg = 14 + 12 = 26 meter.

Veilig op- en/of afstappen bestuurder en passagiers
Let bij op- en/of afstappen van personen op een tweewieler op instabiel gedrag. Wacht op voldoende afstand tot hen en/of houd voldoende onderlinge afstand aan bij passeren of inhalen.
Let bij in- of uit stappende personen van een auto op open zwaaien van een portier en het feit dat de aandacht niet altijd bij het verkeer ligt (afscheid, haast).
Bij bus- of tramhaltes geef je passagiers voldoende ruimte en gelegenheid. Houd rekening met gehaast of “zoekend” gedrag rondom haltes van bus of tram, speciaal als er geen bordes aanwezig is waar de passagiers zich op kunnen stellen. Achter, naast of voor een bus of tram kunnen zich eventueel ook passagiers ophouden die aan het zicht onttrokken zijn. Let hier op!

Risicocompensatie
Moderne auto’s zijn uitgerust met vele veiligheidsvoorzieningen. Al deze voorzieningen kunnen een positieve bijdrage hebben aan het vergroten van de verkeersveiligheid. Het gevaar ligt op de loer dat er meer risico’s worden genomen, omdat je/men vertrouwt op de techniek of de elektronica van de auto en dit zodoende een vals gevoel van veiligheid geeft.

Bronnen en referenties

  • CBR.nl
  • VerkeersPro.nl
  • Autorij-instructie.nl
  • CROW.nl

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *