Verkeersregels voor fietsers (snorfietsers)

InfoNuVerkeersregels voor de fietser

De verkeersregels die voor de fietsers gelden, gelden in de meeste gevallen ook voor snorfietsers. Waar houd je als fietser of snorfietser in het dagelijks verkeer rekening mee;  welke verkeersregels en verkeersborden zijn van belang?

  • Plaats op de weg is rechts! Dit betekent dat je –als dit logisch is- altijd zoveel mogelijk rechts moet rijden.
  • Op gelijkwaardige kruispunten geven bestuurders (ook fietsers) voorrang aan bestuurders die van rechts komen
  • Een fietser die uit een uitrit komt, of een inrit inrijdt, moet al het verkeer vóór laten gaan (ook voetgangers)
  • Bij rechts of links afslaan moeten fietsers richting aangeven met hun arm of met een richtingaanwijzer (een fiets mag zijn voorzien van 2 ambergele richtingaanwijzers op de voorkant en 2 aan de achterkant van de fiets)
  • Een fietser die afslaat laat weggebruikers die rechtdoor gaan op dezelfde weg vóór gaan
  • Bij afslaan geldt: korte bocht gaat vóór lange bocht. Dit betekent dat als jij op een kruispunt links afslaat en een tegemoetkomende bestuurder rechts af wilt slaan, jij deze bestuurder moet vóór laten gaan
  • Fietsers moeten het verplichte fietspad of het fiets/bromfietspad (bord 11 en G12a) gebruiken als dit aanwezig is
  • Fietsers gebruiken de rijbaan (de weg) als een verplicht fietspad of een fiets/bromfietspad ontbreekt.
  • Fietsers mogen het onverplichte fietspad (bord G13) gebruiken. Snorfietsers mogen het onverplichte fietspad alleen gebruiken met uitgeschakelde motor.
  • Bestuurders van fietsen op meer dan twee wielen en fietsen met aanhangwagen, die met inbegrip van de lading breder zijn dan 0,75 meter, mogen de rijbaan gebruiken (het mag, moet niet)
  • Fietsers mogen –als enige bestuurders- met zijn tweeën naast elkaar fietsen als ze het overige verkeer niet hinderen
  • Fietsers moeten elkaar links inhalen, maar mogen andere bestuurders rechts inhalen
  • Voor fietsers gelden geen maximumsnelheden, maar….in een erf (bord G5) mag slechts stapvoets gereden worden (voetgangers, spelende kinderen)
  • Een waarschuwingssignaal met de fietsbel mag alleen gegeven worden als er gevaar bestaat voor jezelf of voor een ander
  • Fietsers mogen een weg waar bord C2 geplaatst is niet ingaan, tenzij een onderbord (uitgezonderd fietsers) aangeeft dat dit wel mag
  • Fietsers moeten ‘s nachts en wanneer bij daglicht het zicht ernstig wordt belemmerd het voor- en achterlicht laten branden (zie regels fietsverlichting)
  • Fietsers mogen passagiers op de bagagedrager of in een (kinder)zitje vervoeren. Kinderen beneden de acht jaar moeten dan op een doelmatige en veilige zitplaats zitten, met voldoende steun voor rug, handen en voeten
  • Het is verboden een andere fietser of voertuig vlak voor of op een voetgangersoversteekplaats (bord L2) in te halen
  • Fietsers mogen elkaar niet voortduwen of voortslepen
  • Fietsers mogen niet onder invloed van alcohol of drugs zijn als zij deelnemen aan het verkeer
  • Fietsen en bromfietsen moeten worden neergezet op het trottoir, voetpad of in de berm, behalve bij verkeersbord E3. Verder kunnen ze geplaatst worden op de daarvoor aangewezen plaatsen

Kijk voor de genoemde verkeersborden bij: Alle verkeersborden in Nederland

Voor eenieder geldt het: Kapstokartikel / Artikel 5
Voor iedereen geldt artikel 5 van de Wegenverkeerswet; het zogenaamde “kapstokartikel” : Het is eenieder verboden zich zodanig te gedragen dat gevaar op de weg wordt (kan worden) veroorzaakt of dat het verkeer op de weg wordt (kan worden) gehinderd.

Regels voor fietsverlichting op de fiets

De regels voor vaste fietsverlichting:

  • Wit of geel licht voor dat recht vooruit schijnt.
  • Rood licht achter dat recht achteruit schijnt.
  • De lampen mogen niet knipperen.

Een fiets met 2 voorwielen moet aan de voorkant 2 witte of gele lampen hebben

Regels voor losse lampjes op de fiets of op het lichaam
De regels voor losse lampjes:

  • Wit of geel licht voor dat recht naar voren schijnt.
  • Rood licht achter dat recht naar achteren schijnt.
  • De lichten mogen niet knipperen en niet teveel bewegen.
  • De losse lampjes mogen alleen op het bovenlichaam. Dus niet op je hoofd, armen of benen.
  • Je mag losse lampjes bevestigen aan je kleding of op je tas.
  • Losse lampjes moeten goed zichtbaar zijn. Er mag dus niets voor of overheen hangen.
  • Regels voor reflectie op een fiets.

Regels voor reflectie fiets op 2 wielen:

  • Een rode reflector (niet driehoekig) op de achterkant van de fiets.
  • Gele reflectoren op de trappers.
  • Witte of gele reflectoren op de wielen (velgen) of banden.

Een fiets met meer dan 2 wielen, die breder is dan 0,75 meter en 1 voorwiel heeft, moet ook zijn voorzien van een naar voren gerichte witte reflector.
In de Regeling Voertuigen zijn alle eisen opgenomen waar fietsen aan moeten voldoen!

Bron
Rijksoverheid
RVV 1990

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *