Bijzondere manoeuvres – Bijzondere Verrichtingen (les) auto

Rijexamen – Bijzondere verrichtingen  -manoeuvres

1 januari 2008 is het startschot gegeven voor de invoering van de bijzondere manoeuvres, welke de bijzondere verrichtingen bij het examen-B bij het CBR gaan aanvullen / vervangen.

Inmiddels zijn er de volgende aanpassingen/wijzigingen.Veranderingen B-Examen per 1 maart 2009

Op 1 maart 2009 worden de volgende wijzigingen van kracht in het vernieuwde praktijkexamen:

Zelfstandig route rijden

Het rijden naar vaste coördinatiepunten is vervallen. Hier-voor in de plaats is het rijden naar oriëntatiepunten opgenomen. Dit kunnen zichtbare gebouwen/objecten zijn, of een voor de kandidaat bekend punt. De clusteropdracht kan eventueel ook rijdend gegeven worden.
Tijdens het zelfstandig routerijden mag gebruik worden gemaakt van de ANWB-borden of andere routeborden. De keuze voor de vorm van het zelfstandig routerijden hoeft niet vooraf aangegeven te worden.
Tijdens het zelfstandig routerijden kan de kandidaat – indien noodzakelijk- verdere aanwijzingen vragen tijdens het rijden. (stoppen mag, maar is niet verplicht)
Tijdens het rijden met het navigatiesysteem is het bepalen van de routevariant aan de examinator. Deze kan naar behoefte kiezen voor de kortste of de snelste route, snelweg vermijden en dergelijke. Rijscholen worden verzocht om het adres van het CBR onder de favorieten in de navigatie-apparatuur op te slaan.

Bijzondere manoeuvres

Het wegrijden na de stopopdracht of na een parkeeropdracht is onderdeel van de bijzondere manoeuvre, indien afwijkend gedrag bij het wegrijden een relatie heeft met die bijzondere manoeuvre. Een bijzondere manoeuvre die door de kandidaat op eigen initiatief wordt uitgevoerd, omdat deze bijvoorbeeld de route niet meer weet, verkeerd is gereden, of omdat het navigatiesysteem hiertoe opdracht geeft, kan als bijzondere manoeuvre worden aangemerkt.
Tijdens het zelfstandig routerijden is het toegestaan om een parkeeropdracht, stopopdracht of een hellingproef te laten uitvoeren. Dit geldt niet voor de omkeeropdracht.
Voor het parkeren in een straat wordt niet langer een richtpunt opgegeven. De kandidaat dient zelf een geschikte plaats in de betreffende straat te kiezen.

Situatiebevraging

Situatiebevraging kan in de beoordeling worden betrokken. Situatiebevraging kan zowel een positieve als een negatieve invloed hebben op de beoordeling. Situatiebevraging hoeft niet vooraf aangekondigd te worden.

Zelfreflectie

Het zelfreflectie formulier heeft een waarderingsschaal van 1 tot en met 10. Zelfreflectie is een integraal onderdeel van het eindgesprek.

 

Bron: Reflector februari 2009

Bijzondere verrichtingen

Alhoewel de basisprincipes van de bijzondere verrichtingen als uitgangspunt voor je voertuig-beheersing nog uitstekend van pas komen, komen de accenten op een grotere keuzevrijheid en meer zelfstandigheid -bij de uitvoering van je opdrachten- te liggen. Jij als kandidaat geeft zo een nauwkeuriger beeld van je kunnen, inzicht en gedrag binnen het dagelijks verkeer. Feitelijk sluit de nieuwe wijze van examineren dus meer aan op de praktijk, waarin je -na het behalen van je rijbewijs- ook steeds adequaat en veilig moet reageren op steeds wisselende verkeerssituaties.

Welke opdrachten kun je verwachten

Omkeeropdracht
Bij de omkeeropdracht krijgt de kandidaat al rijdende te horen dat hij de weg in tegenovergestelde richting moet gaan volgen. De kandidaat kiest zelf de plaats en de wijze waarop hij keert. Hij kan dit doen via een halve draai, steken of een bocht achteruit. De kandidaat moet laten zien dat hij op basis van een goede inschatting van de verkeerssituatie tot een adequate oplossing komt.

Parkeeropdracht
De examinator kan ook kiezen voor een parkeeropdracht in een straat of op een parkeerterrein. Hierbij krijgt de kandidaat de opdracht om de auto zo dicht mogelijk bij een opgegeven locatie te parkeren. Dit kan bijvoorbeeld de ingang van een winkelcentrum zijn. Ook hier bepaalt de kandidaat zelf hoe hij de parkeeropdracht uitvoert.

Stopopdracht
Verder is een stopopdracht mogelijk. Daarbij moet de kandidaat zo kort mogelijk achter een ander voertuig stoppen, om aansluitend vooruitrijdend weer aan het verkeer deel te nemen. Dit kan zowel aan de linker- als rechterzijde van de rijbaan. Hierbij is het van belang dat de kandidaat een juiste inschatting heeft van de lengte van de neus van de auto.

Van deze drie kiest de examinator er twee. Daarnaast kan de examinator steekproefsgewijs de hellingproef laten uitvoeren.

Bij de uitvoering van de bijzondere manoeuvres is niet alleen het technische aspect belangrijk. Er wordt vooral ook gelet op de keuzes die daaraan vooraf gaan, zoals de plaats, het moment en de wijze waarop de kandidaat de opdracht uitvoert.

Waar houd je rekening mee

  • Bewaar je rust, neem de tijd, kijk en handel goed en ken de regels
  • Voor de uitvoering van je opdracht zoek je een veilige en logische plek, maak het jezelf niet te moeilijk.
  • Wees duidelijk naar het overige verkeer, geef indien nodig een signaal met richtingaanwijzer of alarmlichten.
  • Hinder zo weinig mogelijk verkeersstromen bij de uitvoering, blijf dus zo veel mogelijk op je eigen weghelft.
  • Vermijd -met uitzondering van vakparkeren e.d.- achteruitrijden zo veel mogelijk. Achteruitrijden is het minst veilig en het is lastiger om overzicht te behouden op het overige verkeer.
  • Lees onderstaande artikelen van het RVV (54 + 55) goed door en pas -dat wat beschreven is in deze artikelen- toe bij uitvoering van de manoeuvres. Het juist gebruik van de richtingaanwijzer geeft duidelijkheid en moet je als bestuurder toepassen.
RVV = Reglement Verkeersregels en Verkeerstekens

Artikel 54
Bestuurders, die een bijzondere manoeuvre willen uitvoeren, moeten het overige verkeer vóór laten gaan.
Bijzondere manoeuvres zijn:

  • Wegrijden.
  • Achteruit rijden.
  • Van een uitrit de weg oprijden, of van een weg een inrit oprijden. (voorkeur verdient: de bestuurder die uit de uitrit komt, vóór laten gaan)
  • De doorgaande rijbaan=snelweg via de invoegstrook oprijden en de doorgaande rijbaan via de uitrijstrook verlaten. (bij een gecombineerde invoeg- uitrijstrook: degene die de doorgaande rijbaan = snelweg verlaat vóór laten gaan)
  • Wisselen van rijstrook (daarom altijd goed over de schouder kijken en in de ‘dode hoek’)
  • Keren (dit geldt dus ook bij de uitvoering van de bijzondere verrichting/manoeuvre)

Artikel 55
Bestuurders van motorvoertuigen en (bromfietsen) moeten een teken met hun richtingaanwijzer (of arm) geven, indien zij:

  • Willen wegrijden (bij elke beginnende deelname aan het verkeer)
  • Andere bestuurders van een motorvoertuig willen inhalen.
  • De doorgaande rijbaan =snelweg willen oprijden of deze willen verlaten.
  • Bij het wisselen van rijstrook.
  • Bij alle belangrijke zijdelingse verplaatsingen (als indicatie: iedere inhaalmanoeuvre, méér dan de breedte van een fietser)
Bijzondere verrichtingen / bijzondere manoeuvres

Bekijk ook de artikelen over de bijzondere verrichtingen zoals:

Veel elementen die in bovenstaande artikelen beschreven zijn, kun je nog heel goed toepassen om tot een betere voertuigbeheersing te komen.


Bronnen/referenties:

Pré-B Autorij-instructie
CBR
RVV 1990

13 gedachten over “Bijzondere manoeuvres – Bijzondere Verrichtingen (les) auto”

  1. Ja, een achteruitrijlicht is verplicht als:
    het voertuig na 31 december 1997 in gebruik is genomen.
    (artikel 5.2.51 regeling voertuigen)

    Mvg -Sjaak

  2. Beste Sjaak,

    Ik ben eigenlijk zover dan ik na ongeveer 10 lessen, kan afrijden.
    Maar ik kan de cluster opdrachten niet onthouden. Kunt u mij een tip geven om dit te onthouden.

    Mvg – Sjaak

  3. Beste Suraja,

    De spiegels stel je als volgt af:

    Binnenspiegel:
    Het hart (midden) van je binnenspiegel stel je af op het hart van je achterruit, op een dusdanige wijze dat je een zo groot mogelijk gedeelte van de weg achter de auto ziet.
    Linker buitenspiegel:
    Dusdanig dat je ongeveer eenderde van de (denkbeeldige) horizon in het bovenste deel van je spiegel ziet en tweederde deel gericht naar de weg toe. Tevens mag je een klein stukje van de achterkant van je auto zien. Op deze wijze zie je een zo groot mogelijk deel naast en achter de auto. (een dode hoek is niet te vermijden, hetgeen kijken over de schouder en naast de auto noodzakelijk maakt, zodra je iets met je stuur gaat doen).
    Rechter buitenspiegel (als je deze mag/kunt gebruiken):
    Als de linker buitenspiegel, maar dan iets meer op de auto gericht. Je ziet dan bv. makkelijker fietsers e.d. aan komen rijden in je spiegel, of beweging/aktie op een naastgelegen trottoir, fietspad enz. Ook hier weer attentie voor de dode hoek als boven beschreven.

    Als het goed is, is dit één van de eerste dingen die je leert als je rijlessen neemt; ook al zal je nog niet de rust en de kunde hebben je spiegels te gebruiken. Uiteindelijk merk je -al lessend- vanzelf wel wanneer de spiegels goed of niet goed zijn afgesteld, al dan niet op aanwijzingen van de rij-instructeur. Bij twijfel altijd vragen/toetsen bij je instructeur.

    Misschien is onderstaand artikel een mooie aanvulling:
    http://www.autorij-instructie.nl/?p=1263

    Mvg – Sjaak

  4. Beste Sjaak,

    Hoe moet ik mijn binnenspiegel,linker en rechter buiten spiegel goed instellen zodat ik alles goed kan zien.

    Mvg,Suraja

  5. Beste Kamara,

    Er is geen kant en klaar antwoord op je vraag. Kijken is niet iets wat je zomaar leert, maar dit is een leerproces. Je moet natuurlijk wel aangereikt krijgen waar je in het verkeer op moet letten en waarom. Als het goed is, ben je tijdens je rijlessen steeds gewezen op situaties waar het kijken onvoldoende, of juist voldoende is. Als je begint met autorijden kan je tenslotte niet weten waar je op moet letten, daar moet je op gewezen en in gesteund worden.
    Bij de uitvoering van de bijz. verrichtingen gaat het er vooral om dat je gericht kijkt. Dit wil zeggen vooral in de richtingen die je met de auto op wilt gaan (de aktie die je wilt gaan uitvoeren), maar ook in alle andere richtingen in verband met eventueel overig naderend verkeer tijdens de uitvoering van de verrichting(en).

    Kijk volgend artikel er even op na:

    http://www.autorij-instructie.nl/?p=957

    Dan het BNOR:
    Hoe druk de route is weet je nooit.
    Bij het BNOR rijd je langer dan bij het CBR, zodat je meer kans krijgt om je kwaliteiten te laten zien. Het is niet zo dat het makkelijker is; dat kan natuurlijk ook niet, want het dagelijks verkeer is voor iedereen even druk en lastig.
    Wel stellen ze je bij het BNOR als het goed is meer op je gemak en houden ze wat meer rekening met jou als persoon.

    Hoe dan ook…….goed en veilig rijden moet iedereen.

    Succes – Mvg – Sjaak

  6. Ik ben 4 keer gezacht voor mij rijeaxamen catigorie B en de oorzak is dat ik niet goed kan kijken vooral bij bijzonder verichten, zei mij instructeur en examinateur ook,en volgens mij kijk ik wel maar ik weet het echt niet hoe mis ik een paar diengen tijdens mij examen. daar heb ik graag een advis nodig.
    Nog ander vraag, ik moet volgend mand bij BNOR gaan afrijden en wil ik graag weten hoe gaat het exament daar en wat moet ik allemal verwachten en hoe druk is de roeten daar en hoeveel keer mag daar examen doen?
    Groetjes

  7. Beste Kamara,

    Even een aantal zaken op een rijtje:

    Het knipperlicht staat er om weggebruikers te waarschuwen en extra attent te maken op de situatie, maar heeft op zich verder geen betekenis.

    Daar waar de fietsers in jouw voorbeeld haaientanden hebben, hoef je deze niet voor te laten gaan. Haaienden voor de fietsers betekent dat zij kruisende bestuurders voorrang moeten verlenen. Dit neemt niet weg dat je wel extra scherp moet zijn als je de situatie niet vertrouwt.

    Voetgangers bij een zebrapad (VOP = voetgangersoversteekplaats) moet je altijd de gelegenheid geven over te steken. Maak dit ook tijdig duidelijk door middel van aangepast rijgedrag en gebaar eventueel naar hen om je bedoeling duidelijk te maken.

    Een variant kan zijn dat de fietser de fiets aan de hand heeft en gebruik maakt van het VOP. In dit geval is de fietser een voetganger geworden en moet je hem of haar voor laten gaan. Fietst de fietser op het VOP, dan in principe niet, want het is geen voetganger.

    Maar in alle situaties met zwakkere verkeersdeelnemers geldt: volg de verkeersregels, kijk goed in je spiegels en let op achteropkomende bestuurders, maar……houd wel rekening met ze.

    “geef je verstand voorrang”

    Mvg – Sjaak

  8. bij nadering van een zebra en een fiets oversteekplaats waar fietser hijtanden hebben maar met allen constant knipergeel licht, moet ik voetgangen en fietser daar voor laten gaan of moet ik allen voozichtig doorrijden?

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.