Auto rijles artikelen A t/m Z op Autorij-instructie.nl

InfoNuAUTO  rijles  A tot en met Z

Dat deelname aan het verkeer veel van de verkeersdeelnemer vraagt zal voor velen geen verrassing zijn. In dit artikel korte -alfabetisch gerangschikte- trefwoorden uit de Nederlandse taal, die met verkeer en verkeersbeleving te maken hebben. De trefwoorden hebben een korte verwijzing naar betreffende situaties in het verkeer, met zo mogelijk een verwijzing naar relevante artikelen binnen de site. Kijk op de pagina “alle artikelen” voor het totaaloverzicht.


Aanhangwagen: wagen die door een voorgaande wordt opgetrokken – zie RVV 1990
Aandrijving: cardan – brengt aandrijfkrachten over naar de achterwielen
Aanjager: harder doen gaan – verzorgt ventilatie/verwarming in de auto. Onderdeel voertuigcontrole.
Aanliggend: ernaast liggend – fietspaden, secundaire wegen e.d.
Aanpalend: aangrenzend – woonerf, secundaire weg, erftoegangswegen
Aanslepen: nader slepen – sleepkabel, maximaal 5 meter lang
Aansluiten: dadelijk op elkaar volgen – file, houd voldoende afstand en blijf alert
Aansluitingen: uitwisselingspunten tussen autosnelwegen en tussen autosnelwegen en niet autosnelwegen – opgaan of verlaten
Aansprakelijkheidsverzekering: aansprakelijkheid wegens veroorzaakte schade jegens derden (anderen) – WA is verplicht
Aanwonenden: wier woning aan het betreffende gelegen is – meest voorkomend bij geslotenverklaring, verkeersbord C1
ABS: Anti Blokker Systeem – bescherming tegen blokkeren bij stevig remmen
Acceleratie: versnelling – optrekken, op snelheid komen, Handelingen in de (les)auto
Accessoires: bijbehorende zaken – verfraaiing, pimpen
Accu: batterij – stroomvoorziening, stroombuffer – zie artikel voertuigcontrole
Achterin: in of op het achterste deel – gordelplicht geldt ook daar –in principe- voor alle inzittenden
Achterruitverwarming: draadverwarming op achterruit van de auto.
Achteruit: achterwaarts – is een bijzondere manoeuvre, dus alle verkeer voor laten gaan
Achteruitkijkspiegel: spiegel om het verkeer achter zich te zien – meest gebruikte spiegel, iedere 5 á 8 seconden
Additief: toegevoegde stof – bijmengingen in brandstoffen
Afdalen: naar beneden gaan – zie verkeersbord J7
Afkeuren: ongeschikt verklaren – APK
Afremmen: snelheid verminderen – stopafstand = reactietijd + remweg
Afrijden: examen bij het CBR
Afslaan: van richting veranderen – voorsorteren, korte bocht gaat voor lange bocht
Agressie: aanval – probeer rustig te blijven in het verkeer
Airbag: plofzak – biedt bescherming aan inzittenden bij hevige aanrijdingen
Airco: installatie waardoor de temperatuur en de kwaliteit van de lucht in de auto goedgehouden wordt
All-risk: verzekering met inbegrip van alle risico’s – zie ook aansprakelijksheidsverzekering = WA
Ambulance: wagen voor vervoer van zieke en gewonde mensen en dieren –  RVV 1990
Angst: vrees – examenvrees. Prima boek hierover is ‘rijexamenangst, Ard Nieuwenbroek & Piet Gielis’
Anticiperen: vooruitzien, vooruitdenken – je instellen op mogelijke, te verwachten gebeurtenissen
Antivries: vloeistof om het koelwater voor bevriesingsgevaar te vrijwaren – zie voertuigcontrole
Asstreep: verdeelt de weg voor het verkeer in beide richtingen bestemde rijbaan
Attitude: houding (van de geest) – bepaalt voor een groot deel je gedrag in de auto
Auto: automobiel
Autodichtheid: relatieve hoeveelheid auto’s in een bepaald gebied – verkeersdrukte, verkeersintensiteit
Autogas: petroleumgas – brandstof LPG
Autogordels: beveiligingsriem voor in de auto – zowel vóór als achterin
Automaat: uit zichzelf werkend
Auto-ongeluk: ongeluk met auto – voorkom dit mede door de 3 á 4 secondenregel, zie afdekongeval
Autosnelweg: zie verkeersbord G1 en G2 – toegestane maximumsnelheid 120 km. per uur (130)
Autoweg: zie verkeersbord G3 en G4 – maximumsnelheid motorvoertuigen 100 km. per uur

 

Baansplitsing: scheiding rijrichtingen door middengelijder of berm
Bakfiets: bestelfiets – zie RVV1990 brombakfiets
Band: gummiring om wiel – autoband, minimaal 1,6 mm profiel op de hoofdgroef vereist
Bar: drukeenheid van 10 newton per m2 – bij de auto plusminus 2,2 bar, zie voertuigcontrole
Bebakening: markeren – aanduiden bepaalde situatie ter geleiding, waarschuwing
Bebouwd: bebouwde kom – motorvoertuigen maximaal 50 km. per uur, zie verkeersbord H1
Bekeuren: verbaliseren- overtredingen
Belasting: beladen – daklast imperiaal, kogellast aanhanger of caravan
Berm: grasstrook langs weg – denk aan verlies grip van de banden
Beschonken: bedronken – beginnend rijbewijs 0,2 %0, anders 0,5 %0
Beslissen: bepalen van gedrag – zie kruispunt herkennen, taakprocessen
Besturen: sturen – voertuigbeheersing
Bewegwijzering: het van wegwijzers voorzien – zie verkeersborden K-serie
Bijsturen: koerswijziging aanbrengen – zie bijzondere verrichtingen
Bijwagen: aanhangwagen – zie RVV 1990
Black Spot: situatie waar gemiddeld meer ongevallen plaatsvinden, dan in vergelijkbare situaties
Blokmarkering: op het wegdek aangebracht teken met signaalfunctie
Bochtherkenning: herkennen, inschatten van een bocht- bepalend voor gedrag, snelheid
Bochtschilden: extra markering om het verloop van de weg kenbaar te maken
Boete: geldstraf – zie bekeuren
Bolderwagen: niet verende wagen – meest bekend als strandkar
Broeikaseffect: algemene temperatuurstijging door vorming van veel kooldioxide in de dampkring
Brommer: bromfiets – zie RVV 1990
Brommobiel: overkapte bromfiets met vier wielen – zie RVV 1990
Bromscooter: bromfiets met het model van een scooter – zie ook snorfiets RVV 1990
Brug: verbinding over diepten – onderdeel van de weg
Buiten bebouwde kom: einde bebouwde kom – zie verkeersbord H2, maximum toegestane snelheid meestal 80 km. per uur
Bulldozer: rupsvoertuig om terrein te egaliseren – één van de 25 km. voertuigen,
Bumperkleven: te dicht achter een andere auto rijden – zie Top 10 – ergernissen in het verkeer
Bus: autobus – zie RVV 1990
Busbaan: rijbaan waarop het woord ‘BUS’of ‘LIJNBUS’ is aangebracht- ligt apart van de rijbaan / weg
Busstrook: gemarkeerd deel van rijbaan waarop ‘BUS’of ‘LIJNBUS’ is aangebracht – onderdeel van de weg

 

Camper: kampeerauto – rijbewijs afhankelijk van gewicht plus laadvermogen van het voertuig
Carrosserie: koetswerk van de auto
Caravan: door auto getrokken kleine luxe woonwagen – zie….
Carpooling: het groepsgewijze rijden van en naar het werk – ontziet milieu, verkort files
Centrifugaalkracht: middelpuntvliedende kracht – wegligging, macht over het stuur verliezen
Chassis: onderstel van de auto met motor
Cirkelboog: de feitelijke bocht – komt na overgangsboog en vóór de nabocht
Claxon: autotoeter – alleen te gebruiken ter afwending van dreigend gevaar
Colonne: stoet – zie militaire colonne  RVV 1990

 

Dag: tijd tussen zonsopgang en zonsondergang – zie voeren van verlichting op voertuigen
Dashboard: instrumentenbord in voertuig – zie voertuigcontrole
Deel 1A, 1B en II: kentekenbewijs voertuigen – deel 1A en 1B bij je dragen
Deelstrepen: markering- bebakening, vooral bij donker en slecht weer
Defensief rijden: anticiperen, vooruitdenken – zie het nieuwe rijden
Demper: knalpot – moet luchtdicht zijn, APK eis
Diagonaal: hoekspuntlijn – type band
Diesel: met gasolie werkende explosiemotor
Dimlicht: meest gevoerde verlichting – zie voeren verlichting op de auto
Dode hoek: niet waarneembaar deel van de weg bij kijken in de spiegels
Dolly: verrijdbaar en wendbaar onderstel – achter b.v. sleepwagen
Dood: sterven – bijna 800 verkeersdoden per jaar is te veel
Doorgaande rijbaan: snelweg, zonder invoeg- en uitrijstroken
Doorgeefmethode: stuurmethode t.o.v. overpakmethode
DOP: drukknopoversteekplaats
Driepuntsgordel: aan drie punten bevestigde autogordel – verplicht zowel voor- als achterin
Drugs: verdovende middelen – uit den boze in het verkeer
Dynamo: laadt accu op en levert stroom

 

EHBO doos: trommel met materiaal voor het verlenen van eerste hulp bij ongelukken
Empathie: zich in anderen invoelen – sociaal verkeersgedrag
Energieverbruik: verbruik van brandstof – zie het nieuwe rijden
Erf: terrein bij een huis – bij in- en uitrijden al het verkeer voor laten gaan, bijzondere manoeuvre
Ergernis: aanstoot – zie artikel ergernis Top 10 in het verkeer
Evenwijdig: overal even ver van elkaar lopend – in dit verband wegen
Examinator: hij of zij die examen afneemt – CBR
E-weg: autosnelweg door Europa

 

Faalangst: angst om het verkeerd te doen – zie aanrader bij angst
Feedback: terugkoppeling, doorgeven van informatie – b.v. binnen evaluatie van de rijles
Fiets: rijwiel – relatief zwakke verkeersdeelnemers, zie RVV 1
File: lange rij stilstaande of langzaam voortbewegende voertuigen
Flank: aan één kant – zie artikel ongeval, afdekongeval
Flitspaal: paal met elektronische installatie om verkeersovertredingen vast te leggen
Fly-over: knooppunt van wegen die over elkaar heen aangelegd zijn
Fobie: onredelijke vrees – zie ook (in mindere mate) angst en faalangst
Forens: wie woont buiten de plaats waar hij werkt – woon-werkverkeer

 

Gaan: zich voortbewegen – alle weggebruikers
Galop: draf met sprongen – met name paarden in het verkeer, schrikreakties!
Gastank: metalen reservoir voor gas – LPG, schoon en goedkoop
Gebaren: gebaren maken – hiermee duidelijkheid verschaffen aan medeweggebruikers
Gebodsbord: een gebod aanduidend verkeersbord – zie verkeersborden
Gedrag: de wijze waarop men zich gedraagt – verkeersgedrag, attitude
Gevaar: kans op ongeluk – zie verkeersborden J-serie
Gevarendriehoek: tot waarschuwing bij autopech uit te zetten driehoek – op plusminus 30 meter afstand
Gezag: autoriteit – politie, gemeente, provincie, rijk
Glad: glibberig – zowel bij vorst, nat wegdek als na een periode van droogte….attentie
GOP: oversteekplaats, geregeld door verkeerslichten en voorzien van kanalisatiestrepen
Grintweg: met grind verharde weg – opspattende stenen, slipgevaar
Groot licht: verlichting op auto – zie voeren verlichting op de auto

 

Haast: spoed – in het verkeer is zelden goed
Handelen: doen – een van de vijf taakprocessen – zie artikel kruispunt herkennen
Handkar: duwkar = onbespannen wagen = bestuurder
Hefbrug: brug die horizontaal kan worden opgeheven – brug open, help milieu, motor af!
Hellingproef: waarbij men de auto moet laten stilstaan en optrekken op een helling – zie bijzondere verrichting hellingproef
Herexamen: verlengd examen – herkansing bij het CBR

 

Immobiel: onbeweeglijk – voor velen is vervoer, mobiliteit dan ook uiterst belangrijk
Imperiaal: bagagerek op autodak – denk aan goede bevestigingen en maximum toegestaan laadvermogen
Info: informatie – stadsplattegronden, veelal bij inrijden woonkern, bebouwde kom
Inhalen: voorbijgaan – is een bijzondere manoeuvre, zie verkeersregels-wegenverkeerswet
Inrit: plaats waar men inrijdt – zie artikel kruispunt herkennen
Instructeur: oefenmeester – de persoon die onderricht geeft
Interactie: wederkerige invloed – steeds wisselende verkeerssituaties met medeweggebruikers
Interval: tussenpoos – stand op de ruitenwissers
Invalidenvoertuig: voertuig voor invalide – zie gehandicaptenvoertuig RVV 1990
Invoegen: zich via een aparte rijstrook bij het verkeer op een autosnelweg voegen – zie artikel rijden autosnelweg

 

Jakkeren: onbehoorlijk hard rijden
Joyriden: wederrechterlijk met andermans auto rijden
Juridisch: rechtskundig

 

Kandidaat: wie geëxamineerd wordt
Karrenpaard: paard voor de kar – combinatie is bestuurder
Kenteken: plaat met kentekens – moet goed leesbaar en goed bevestigd zijn, zie voertuigcontrole
Kentekenbewijs: bewijs dat de kentekens juist zijn, draag deel 1A en 1B mee
Keuren: onderzoeken – APK-keuring
Kinderzitje: beveiligingszitje voor kind – voor: jonger dan 18 en kleiner dan 1.35 meter
Klimatologisch: het klimaat betreffend – aanpassing van het rijgedrag aan de weersomstandigheden
Klinker: harde baksteen – type bestrating van de weg
Knipperlicht: knipperend licht – bij niet werken van verkeerslicht, of attentielicht bij spoor, brug, tram e.d.
Knooppunt: verkeersknooppunt – stremming van het verkeer, daar waar een aantal wegen samenkomen
Kreukelzone: deel van een auto dat bij een aanrijding in elkaar kreukelt om de schok te breken
Krik: autovijzel, dommekracht – te gebruiken bij het verwisselen van een lekke band, zie voertuigcontrole
Kruispunt: snijpunt van lijnen of wegen – zie artikel kruispunt herkennen

 

Laadstroom: stroom waarmee een accu wordt geladen – dynamo, zie voertuigcontrole
Lading: het laden, vracht – artikel volgt
Lamp: verlichtingswerktuig – reservelampjes moeten in de auto aanwezig zijn
Landbouwvoertuig: voertuig ten behoeve van landbouwwerkzaamheden – 25 km. voertuig
Lesbevoegdheid: bevoegdheid om les te geven – instructeursbewijs autorij-instructeur
Lijnbus: bus voor lijndienst – autobus, zie RVV 1990

 

Maatschappelijk: voor de maatschappij – maatschappelijke belangen, zie kruispunten herkennen
Manoeuvre: wending, handelswijze – zie artikel verkeersregels – regelkennis, bijzondere manoeuvre
Marechaussee: militaire politie – bevoegd tot het verrichten van aanhoudingen in het verkeer
Maximumsnelheid: grootst toegestane snelheid – zie verkeersborden
Medisch: geneeskundig – bij afrijden dient een EV (medische verklaring) ingevuld te worden
Middelpuntvliedend: van het middelpunt weggaand – zie centrifugaalkracht
Milieu: omstandigheden voor levende wezens – zie artikel het nieuwe rijden
Militaire colonne: achter elkaar rijdende militaire voertuigen – mag onder voorwaarde niet doorreden worden, zie RVV 1990
Mindervalide: lichamelijk of geestelijk gehandicapt – extra aandacht in het verkeer voor hen
Mist: dikke nevel – matig snelheid, houd afstand, mistachterlicht bij zicht minder dan 50 meter
Mobiel: beweeglijk – mobiliteit voor eenieder is een belangrijk (sociaal) goed
Mobilofoon: apparaat om draadloos te bellen – in het verkeer alleen hands-free
Modal-split: verdelen van personen en goederen over verschillende manieren van vervoer
Mond-op-mond-beademing: techniek om de ademhaling weer op gang te brengen – hulp verlenen is verplicht
Motoriek: geheel van lichaamsbewegingen – wordt beoordeeld bij het examen bij het CBR
Motorrijtuig: door motor voortbewogen voertuig – voor motorvoertuig zie artikel RVV 1990

 

Nacht: periode tussen zonsondergang en zonsopgang – zie voeren verlichting op de auto
Nalatig: onachtzaam – ligt vaak aan de basis van ongevallen
Nascholen: bijscholen – mogelijke sanctie na inname van het rijbewijs, na verkeersgevaarlijk gedrag
Nat: niet droog – pas het rijgedrag op wisselende weers situaties aan
Natrekken: nagaan – b.v.  gegevens bij verkeerscontrole van de politie
Navigatie: stuurmanskunst – wordt bij het CBR ingevoerd in 2008 (naar keuze)
Negeren: ontkennen – negeren van stop- en, of verkeerstekens
Nevelachtig: net nevel, vaag – zie mist

 

Objectief: onbevooroordeeld – gewenste houding in het verkeer
Occasion: koopje – zie vele websites met aanbiedingen
Oefening: het oefenen, opgave – zie bijzondere verrichtingen
Omdraaien: achterstevoren draaien – zie artikel bijzondere verrichting halve draai, straatje keren
Onbelemmerd: ongehinderd – voorrang verlenen = bestuurders een onbelemmerde doorgang verlenen
Ondeelbaar: niet te delen – regelgeving over het vervoeren van lading, artikel volgt
Ongeluk: ramp, ongeval – zie artikel afdekongeval
Ongeregeld: niet geregeld – zie artikel verkeersinzicht
Onschuld: het onschuldig zijn – omgekeerde bewijslast bij aanrijden voetgangers en fietsers
Ontmoedigingsbeleid: beleid om overtredingen te voorkomen – b.v. verkeersdrempels, flitspalen, trajectcontrole
Openbaar: voor ieder toegankelijk – alle wegen, voor zover ze niet afgesloten kunnen worden en hier geen controle op is
Oplichten: helderder worden – retro-reflecterende oppervlak van de verkeersborden
Optisch: gezichtskundig – optisch versmallen van wegen (b.v. fietssuggestiestroken) om de snelheid te beperken
Overheid: de gezagdragers
Overrijden: naar de andere zijde rijden – zie artikel kruispunt herkennen
Overstappen: in een ander openbaar vervoermiddel stappen – extra attentie bij bus-, tramhaltes e.d.
Oversteek: een plaats om over te steken – veelal aangegeven met verkeersbord uit de J-serie
Overweg: kruising van spoor- of tramweg met een gewone weg – zie artikel kruispunt herkennen
Overzicht: het overzien – zie artikel afdekongeval en kruispunt herkennen

 

Paard: groot eenhoevig zoogdier – benader in het verkeer rustig en met begrip
Parallelweg: parallel lopende weg – zie evenwijdig
Parkeerhaven: korte verbrede strook van een weg om te parkeren
Parkeerschijf: schijf die het begin van het parkeren aangeeft – schijf gebruiken
Parkeervak: vak dat aangeeft binnen welke grenzen geparkeerd moet worden
Pasfoto: foto voor paspoort – ook mee te nemen bij het theorie-examen
Pedaal: met de voet bewogen hefboom – koppeling, rem en gas
Peil: hoogte, stand – van vloeistoffen, zie artikel voertuigcontrole
Perceptie: waarnemen – zintuiglijke waarnemingen, aan de hand waarvan je rijdt en beslist
Pijl: pijlvormig aanwijsteken – zie verkeersborden
Plaats: bewoond deel van een ruimte – meestal grens bebouwde kom, bord H1 en H2
Plan: graad van belangrijkheid – onderdeel van beoordeling van verkeerssituaties
Platteland: land buiten de steden – relatief veel gevaarlijke 80km.-wegen en 25km.-voertuigen
Politie: dienst voor openbare orde en veiligheid
Praalwagen: opgesierde wagen in optocht
Proef: onderzoek – examen CBR, zie ook artikel bijzondere verrichtingen
Pylon: verplaatsbare verkeerskegel – ter markering van een (tijdelijk) rijrichting

 

RVV: Reglement Verkeersregels en Verkeerstekens  1990
Radar: waarneming door radiogolven – verboden in de auto te installeren
Radiateur: koeler voor verbrandingsmotor – onderdeel van, zie voertuigcontrole
Rail: spoorstaaf – trein en tram
Recht: wettelijk voorschriften – WVW, wegenverkeerswet
Recht door: recht vooruit, zonder onderbreking
Rechts: naar of aan de rechterzijde – voor bestuurders: zie richtingaanwijzer, gebruik hiervan
Recidief: zich herhalend – recidive verkeersovertreders
Recyclen: in hergebruik brengen – onderdelen van auto’s via autodestructiebedrijven
Regel: voorschrift – verkeersregels, verkeersvoorschriften, zie RVV 1990 en verkeersborden
Regen: druppels neerkomend water – aanpassen van het verkeersgedrag
Reglement: verordening – zie RVV 1990 en verkeersborden
Remafstand: afstand waarbinnen een voertuig bij remmen tot stilstand komt
Rembekrachtiging: remvermogen vergrotend remonderdeel, ook ABS
Remise: wagenloods – tram of bus, doorgaans rood knipperend verkeerslicht
Remweg: afstand die men nog aflegt voor een voertuig bij remmen stilstaat
Reserveband: band voor reserve – controleer de druk (bar) regelmatig, zie voertuigcontrole
Rijbaan: baan om op te rijden – deze is onderverdeeld in rijstroken, zie invoegen autosnelweg
Rijbewijs: bewijs van rijvaardigheid – ervaren na plusminus 7 jaar of 100.000 km.
Rijexamen: examen dat de rijvaardigheid ten aanzien van motorrijtuigen toetst – CBR
Rij-instructeur: hij of zij die rijles geeft – instructeursbewijs-diploma verplicht
Rijstrook: baan voor één rij auto’s achter elkaar- zie ook rijbaan
Ritsen: om de beurt op een rijbaan invoegen, zie invoegen, uitrijden autosnelweg
Rotonde: rond verkeersplein – zie rijden van een rotonde
Route: koers, weg – al dan niet met behulp van navigatie
Ruitensproeier: toestel om ruiten te besproeien
Ruitenwisser: toestel om voorruit schoon te houden

 

S-bocht: twee aaneensluitende bochten in tegengestelde richting – zie verkeersborden J-serie
Schakelen: verbindingsstuk, het schakelen – versnellingspook
Scheefstand: schuin – van het voertuig, zie voertuigcontrole
Scheuren: hard en roekeloos rijden – onverantwoordelijk verkeersgedrag, puntenrijbewijs
Schijnwerper: zoeklicht
Scooter: lage motorfiets met kleine wielen – niet te verwarren met bromscooter
Seconde: 1/60 minuut – maak van de 2 secondenregel 3 á 4 seconden voor de eigen veiligheid
Shovel: laadmachine op rupsbanden
Signaal: sein – alleen ter afwendig van gevaar voor jezelf of anderen
Sirene: toestel voor geluidssignalen – plus optische signalen is voorrangsvoertuig, zie RVV 1990
Slakkengang: zeer geringe voortbewegingssnelheid – zie artikel ergernis top 10
Sleepkabel: kabel waar iets aan wordt gesleept – maximale lengte 5 meter
Slipgevaar: gevaar voor slippen – een slipcursus is zeer aan te raden
Sluiproute: sluipweg – zie ontmoedigingsbeleid, verkeersdrempels
Sluitboom: afsluitboom – spoorwegen, brug, parkeerterrein, privé-terrein
Sneeuwketting: het door sneeuw rijden vergemakkelijkende ketting
Sociaal: maatschappelijk – sociaal verkeersgedrag, zie verkeersinzicht
Spiegel: voorwerp om beelden te weerkaatsen – belangrijk bij het kijkgedrag
Spits: tijd waarop het het drukst is – milieu en 3 á 4 secondenregel
Spoor: rails, trein – valt niet onder motorvoertuigen, wordt door rails voortbewogen
Stadhuis: gemeentehuis – aanvraag rijbewijs
Stadsbus: autobus voor vervoer in de stad – laat voor gaan bij halte
Start: vertrek – zie voor controlehandelingen artikel voertuigcontrole
Step: autoped – géén voertuig, want speelgoed
Stilstaan: blijven staan – zie verkeersborden, artikel volgt
Stop: sta stil – bij verkeersbord B7 de auto voor de stopstreep stoppen
Stuur: stuurinrichting, toer – voertuigbeheersing, zie bijzondere verichtingen
Stuurbekrachtiging: inrichting die het sturen makkelijker maakt
Stuurmanskunst: bekwaamheid van stuurman – plaatsbepaling op de weg
Suffisant: voldoende – minimale eis waar de rijvaardigheid aan moet voldoen
Symbool: zinnebeeld – zie artikel voertuigcontrole, symbolen auto

 

Taak: te verrichten werk – zie taakprocessen, artikel kruispunt herkennen
Tandem: fiets met twee stel trappers achter elkaar – bestuurder
Taperaansluiting: taperoplossingen vind je op autosnelwegen en hierbij sluit de linkerrijstrook aan op de rechterrijstrook van de doorgaande rijbaan. De rechterrijstrook van de taper wordt óf een invoegstrook, óf een zelfstandige rijstrook.
Teer: donkere kleverige stof – toplaag van wegen, asfalt, ZOAB
Tegemoetkomend: tegengesteld – tegenovergestelde richting, zie verkeersborden
Tenaamstelling: het op naam stellen – ketekenbewijs
Terreinauto: auto voor moeilijk berijdbaar gebied
Toerental: aantal toeren – zie artikel het nieuwe rijden
Toeteren: de claxon gebruiken – alleen ter afwending van dreigend gevaar
Toeritdosering: beheersing van de verkeersstroom door gereguleerde toelating op de invoegstrook
Touringcar: grote autobus voor toeristen – veelal T100 bus, aanhanger verboden, RVV 1990
Traject: afstand, baanvak – trajectcontrole op autosnelwegen
Trolleybus: niet op rails maar in contact met een elektrische draad lopende bus
Trottoir: straatstoep
Tunnel: kunstmatige onderaardse of onderbergse doorgang

 

Uitbalanceren: zorgvuldig afwegen – afstellen van band op velg d.m.v. lood
Uitlaat: opening voor het uitlaten van iets – uitlaat dient gasdicht te zijn, APK eis
Uitlaatgas: ontsnappend afgewerkt gas – milieu, katalysator
Uitlijnen: op één lijn brengen, zo stellen dat ze in een recht spoor lopen – de wielen
Uitrit: plaats waar men uitrijdt – zie artikel kruispunt herkennen
Uitsparen: besparen – zie artikel over het nieuwe rijden
Uitstoot: afvalstoffen die in de lucht terecht komen – milieu, roetdeeltjes en CO2
Uitvalsweg: uit een stad of centrum leidende weg – ook stroomweg, gebiedsontsluitingsweg
Uitvoegen: via de uitvoegstrook de doorgaande rijbaan verlaten, zie invoegen, uitrijden autosnelweg
Uitwijken: uit het lood gaan, ongewild van de koers afwijken

 

Vak: hokje – zie artikel bijzondere verrichting vakparkeren
Veilig: zonder gevaar – risico wordt verkleind door defensief rijgedrag, zie verkeersinzicht
Veiligheidsgordel: voor de veiligheid in de auto om te gespen band – voor- en achterin
Ventiel: luchtklep – zie artikel voertuigcontrole
Veranderen: wisselen – bij iedere zijdelingse verplaatsing richting aangeven, zie verkeersregels-wegenverkeerswet
Verbod: het verbieden – zie artikelen verkeersborden
Verdrijven: verjagen – verdrijvingsvlak mag niet overreden worden
Vergunning: toestemming – vooral ten aanzien van parkeren, zie RVV 1990
Vering: het veren – belangrijk voor het weggedrag en koersvastheid van de auto
Verkeer: het zich verplaatsen – alle weggebruikers
Verkeersader: hoofdverkeersweg
Verkeersbrigade: oversteekhulp – aanwijzingen moeten worden opgevolgd
Verkeersdrempel: ribbels in het wegdek om daarmee te hoge snelheid tegen te gaan
Verkeersheuvel: verhoging in de betrating waardoor het verkeer er omheen moet
Verkeerslicht: licht als signaal voor het verkeer – vroeger stoplicht genoemd
Verkeersongeval: ongeval met verkeersmiddelen – zie afdekongeval
Verkeersplein: plein als wegenkruispunt, zie rijden van de rotonde
Verkeerstafel: zeer brede verkeersdrempel
Verkeerswezen: al wat het verkeer betreft – wegenverkeerswet, RVV 1990
Verkeerszuil: zuil die aangeeft aan welke kant je de zuil moet passeren
Verlengen: opnieuw duurzaam maken – rijbewijs, iedere 10 jaar
Verordenen: bevelen – door autoriteit: politie, marechaussee e.d.
Verslepen: elders slepen – sleepkabel maximaal 5 meter
Vervoerswezen: al wat met vervoer samenhangt
Visualiseren: als beeld voorstellen – zelfreflectie, evaluatie verkeersituaties
Voetganger: wie te voet gaat – kwetsbare weggebruiker
Voetgangersgebied: alleen voor voetgangers toegankelijk gebied
Voetgangersoversteekplaats: zebrapad, VOP – voetgangers voor laten gaan
Voorbijgang: voorbij gaan – inhalen, belangrijke zijdelingse verplaatsing
Voorgaan: het eerste gaan – in plaats van voorrang verlenen, zie voorrang verlenen-voor laten gaan
Voorligger: voertuig dat voor iemand rijdt – volgafstand, 3 á 4 secondenregel, zie ergernis top 10
Voorrang: ‘recht’ boven anderen – voorrang moet je krijgen, mag je niet nemen!
Voorrangskruising: kruising met voorrangsweg – zie verkeersborden B-serie en kruispunt herkennen
Voorrangsweg: weg waarop bestuurders voorrang hebben boven uit zijwegen komende bestuurders
Voorsorteren: het deel van de rijbaan kiezen dat bestemd is voor bestuurders in een bepaalde richting
Voorspellen: dat wat kan gaan gebeuren – één van de taakprocessen , zie kruispunt herkennen taakprocessen
Voorzichtig: behoedzaam – gedrag in het verkeer
Voorzorgsmaatregel: maatregel uit voorzorg – handelingen vóór aanvang van de rit
Vrachtwagen: auto voor goederenvervoer – maximaal 80 km. per uur
Vrees: angst – tunnelvrees, bermvrees
Vrijhouden: open houden – spoor, kruispunten , fietspaden, in- en uitritten etc.

 

Waaien: wind veroorzaken – stuurgedrag, koersvast
Waarnemen: opmerken – kijkgedrag in de auto, zie kruispunt herkennen taakprocessen
Waarschuwingsbord: bord waardoor gewaarschuwd wordt – zie verkeersborden J-serie
Waarschuwingssignaal: signaal ter afwending van dreigend gevaar – claxon, groot licht, alarmlichten
Wagen: voertuig, auto – bestuurders
Wagenziekte: het misselijk worden tengevolge van het rijden
WA-verzekering: verzekering tegen de gevolgen van de door de betrokkene aangerichte schade – minimaal verplicht
Weersomstandigheden: gesteldheid van het weer – vraagt om aangepast rijgedrag
Weg: alle voor het openbare verkeer openstaande wegen of paden, alsook de daarin liggende bruggen. Ook bermen en zijkanten maken deel uit van de weg. Een weg is openbaar als deze 24 uur per dag en op ieder moment te gebruiken is
Wegdek: bovenlaag van een weg, plaveisel
Wegennet: totaal van de wegen
Weggebruiker: al het verkeer – bestuurders en voetgangers
Wegligging: vastheid van ligging op en het zich voegen naar de weg – van grote invloed zijn: weersgesteldheid, snelheid, profieldiepte band, bandenspanning, staat van de schokbrekers
Wegpiraat: onverantwoordelijk weggebruiker, puntenrijbewijs
Wegverkeer: verkeer op de weg, bestuurders en voetgangers
Wegwerker: wie aan de weg werkt – zie artikel ergernis top 10
Wet: algemeen voorschrift – Wegenverkeerswet. Zie artikel RVV 1990 en verkeersregels – wegenverkeerswet
Weven: gelijktijdig in- en uitvoegen van verschillende verkeerstromen

 

Zebrapad: door witte strepen aangegeven oversteekplaats voor voetgangers – VOP = voetgangersoversteekplaats
Zelfbeheersing: het zichzelf beheersen – niet onbelangrijk in het verkeer, sociaal verkeersgedrag
Zicht: het zien – bepaald zaken als volgafstand, snelheid, voeren van verlichting e.d.
Zintuiglijk: met een zintuig – benut de informatie uit: horen, zien, voelen, ruiken tijdens het rijden
ZOAB: zeer open asfalt beton – stiller, maar (soms) gladder dan het klassieke asfalt
Zwengel: kruk waarmee men iets in beweging brengt – oude motoren van voertuigen

6 gedachten over “Auto rijles artikelen A t/m Z op Autorij-instructie.nl”

  1. Ambulance is volgens mij niet goed.

    na mijn weten is dit juist:

    (RVV 1A1) Een ambulance is een motorvoertuig die ingericht is en gebruikt wordt voor vervoer van zieken en ongevalslachtoffers en hun begeleiders. Hiermee wordt geen dierenambulance bedoeld. Een ambulance is alleen een voorrangsvoertuig als hij de optische en geluidsignalen voert.

    Niet dat ik dit uit mijn hoofd intyp, maar dit is t wel.

    Vriendelijk Groet,

    Nick

  2. Beste Admin,

    Ik ben mee bezig met autorijles, dit autorijwordenboekje is belangrijk voor mij.
    Mag ik even mee lezen?

    Bedankt!

    groeten
    Lea

    1. Beste Lea,

      Doe er je voordeel mee en succes met de rij-opleiding.
      Als je vragen hebt…..mail gerust !

      Mvg – Sjaak

  3. Graag zou ik willen weten of het toegestaan is op een rotonde te schakelen?
    Bijvoorbeeld: Je komt aangereden en moet stoppen voor de rotonde en zet de versnelling in 1, je gaat vervolgens de rotonde op en wilt rechtdoor, mag ik dan op de rotonde nog doorschakelen naar 2?

    Ik hoop spoedig iet van u te horen.

    Mvg

    Sarah

    1. Beste Sarah,

      In het algemeen is dit juist wenselijk. Je zou anders in veel te hoge toeren over de rotonde rijden, wat én onnodig is én slecht voor het milieu.
      Bij rechts afslaan op een minirotonde zal dit misschien niet altijd juist zijn, maar verder wel.
      Op een grotere rotonde zou -afhankelijk van de drukte- de derde versnelling zelfs nog een mogelijkheid kunnen zijn, waarbij je dan weer terugschakelt naar de tweede versnelling voordat je rechts afslaat.

      Mvg – Sjaak

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.