Auto Theorie – Test 1

Test de verkeerstheorie – Oefenen verkeerskennis

Als je pas theorie-examen hebt gedaan zal veel kennis nog wel paraat zijn. Anders wordt het als dit al weer enige tijd geleden is. In dit artikel komen allerlei vragen aan de orde die met verkeer, verkeers- deelname, verkeersinzicht en verkeerskennis te maken hebben. Doe de test en kijk hoe jij het er -theoretisch- in het verkeer van af brengt.

Onderstaande vragen zijn bedoeld om je theoretische kennis te testen of gewoon voor de aardigheid. De vragen zijn gebaseerd op de theoretische kennis die benodigd is voor het behalen van het rijbewijs-B (auto). Kies bij iedere vraag het juiste of meest logische antwoord en schrijf vervolgens een 1 of een 2 op voor het antwoord, waarvan jij denkt dat het juist is. Onder aan dit artikel vind je de antwoorden en zo nodig de motivatie van de antwoorden. Ken jezelf voor ieder goed antwoord 1 punt toe en kijk wat je totaalscore is!

Vragen verkeerstheorie auto – rijbewijs B

01. Als het dimlicht op de auto niet werkt, mag je
1. Niet rijden.
2. Met stadslicht alsnog rijden.

02. De BAR = de druk in mijn autobanden moeten zijn
1. Plusminus 2,3 BAR.
2. Plusminus 1,6 BAR.

03. Een verbandtrommel
1. Moet verplicht aanwezig zijn.
2. Is verstandig bij de hand te hebben.

04. Met ABS (anti blokkeersysteem) op de auto
1. Sta je eerder stil dan zonder ABS.
2. Zonder ABS sta je -bij een goede dosering van de rem-  eerder stil.

05. Als de lading aan de voorzijde van het voertuig uitsteekt, moet een markeringsbord gebruikt worden als
1. De lading aan de voorzijde uitsteekt.
2. Niet, want dan wordt het zicht op de weg ontnomen.

06. Je sleept een auto met jouw auto. Volgens het RVV is de gesleepte auto
1. Een zelfstandig voertuig.
2. Een aanhanger.

07. De caravan weegt meer dan 750 kg., je hebt
1. Een witte kentekenplaat met zwarte letters/cijfers.
2. Een eigen kentekenplaat, dat afwijkt van die op de auto.

08. Als je een glas jenever, bier en wijn vergelijkt, heeft
1. Bier de meeste alcohol, want dit glas heeft de meeste inhoud.
2. Is voor alle drie de dranken het alcoholpercentage per glas gelijk.

09. Een voetganger bij een zebrapad
1. Moet je altijd voor laten gaan en een onbelemmerde voortgang verlenen.
2. Laat je alleen voor gaan als hij of zij te kennen geeft over te willen steken.

10. Rijdend in een voorsorteerstrook mag je
1. Van voorsorteerstrook wisselen, mits je dit op tijd doet en richting aan geeft.
2. Moet je altijd de gekozen rijrichting blijven volgen.

11. Sergeantstrepen en verdrijvingsvlakken op de weg dienen om
1. Te waarschuwen dat je jouw inhaalaktie moet afronden..
2. Mag je niet overrijden.

12. Bij het afslaan moet je voor laten gaan
1. De voor jou rechtdoorgaande voetgangers.
2. Zowel rechtdoorgaande als kruisende voetgangers.

13. In situaties waar je voorrang moet verlenen, geldt dit voor
1. Al het verkeer.
2. Alleen bestuurders.

14. Vlak voor of op een rotonde mag je
1. Alleen rechts rijden.
2. Zowel rechts als links rijden.

15. Binnen een erf mag je parkeren
1. Binnen het hele erf, zolang je niemand hindert.
2. Alleen in de daartoe bestemde vakken.

16. In een bocht mag je nooit inhalen
1. Klopt omdat je jezelf moet concentreren op het verloop van de bocht.
2. Klopt niet als je maar voldoende zicht hebt en dit veilig kan doen.

Antwoorden en motivatie
  1. 1 Stadslicht wordt tijdens het rijden niet meer gevoerd, maar dient in bepaalde situaties ter  markering van het voertuig.
  2. 1 BAR 2,3 is een gemiddelde. De luchtdruk wordt mede bepaald door: het type voertuig, de belading en de belasting van het voertuig.
  3. 2 Het moet niet, maar je kunt er over twisten. Wil je eerste hulp verlenen, dan is het eigenlijk noodzakelijk.
  4. 2 In tegenstelling tot wat velen denken, is zelf gedoseerd remmen effectiever. Voorwaarde is echter dat je rustig moet blijven en het overzicht moet bewaren. Laat ABS je geen gevoel schijnveiligheid geven.
  5. 1 Een markeringsbord moet gebruikt worden als de lading aan de voorzijde uitsteekt, maar mag het zicht uiteraard niet wegnemen.
  6. 2 De definitie van een aanhangwagen luidt: ‘voertuigen die worden voortbewogen door een ander voertuig of kennelijk bestemd zijn om aldus te worden voortbewogen, alsmede opleggers’.
  7. 2 Een aanhangwagen met een toegestane maximum massa boven de 750 kg. hebben een eigen kentekenbewijs en dus ook een eigen kentekennummer.
  8. 2 De standaardmaten van de glazen verschillen, daardoor is het alcoholpercentage van alle drie de dranken gelijk.
  9. 1 Een voetganger bij een VOP=zebrapad moet je altijd voor laten gaan, op dusdanige wijze dat er bij de betreffende voetganger geen twijfel over bestaat en deze zijn of haar weg met gelijkblijvende tred kan vervolgen.
  10. 1 Als er nog sprake is van een onderbroken witte belijning, mag je nog van rijstrook wisselen. Bij een doorgetrokken belijning niet meer.
  11. 2 Sergeantstrepen, verdrijvingsvlakken en doorgetrokken witte belijning mag je niet overschrijden/-rijden, tenzij de doorstroming ernstig in gevaar komt.
  12. 1 Hier geldt de algemene regel: ‘rechtdoorgaand verkeer op dezelfde weg gaat voor’.
  13. 2 Voorrang verlenen geldt tussen bestuurders onderling, anders spreken we van voor laten gaan.
  14. 2 De regel luidt: ‘het is bestuurders van motorvoertuigen en bromfietsen die de rijbaan volgen toegestaan vlak voor of op een rotonde anders dan rechts te rijden.
  15. 2 Binnen een woonerf zijn geen voetgangersvoorzieningen getroffen (stoep e.d.) en mogen voetgangers de weg over de gehele breedte gebruiken. Derhalve mag je alleen in de vakken parkeren.
  16. 2 Als je het veilig doet en voldoende zicht hebt mag dit.
Je score:
  • 13 tot en met 16 punten: je hebt een goede score en een behoorlijke theoretische kennis. Als je de theorie ook in de praktijk toepast ga je nog vele schadevrije en veilige kilometers tegemoet.
  • 09 tot en met 12 punten: je laat nog wel eens een steekje vallen, misschien is het raadzaam om je kennis nog wat op te frissen, zodat je ook aan de vele schadevrije en veilige kilometers toekomt.
  • 00 tot en met 08 punten: in 50% of meer van de vragen zat je er naast. Misschien is het verstandig je eens in de theorie te verdiepen.

Bronnen en/of referenties:
Pré-B Autorij-instructie
RVV 1990

8 gedachten over “Auto Theorie – Test 1”

  1. Beste,

    Ik had ook een vraagje over aanhangers, ik ben dit al een tijdje op aan het zoek maar kan het niet vinden. Bij een erf is het verplicht om MOTORVOERTUIGEN in een vak te parkeren. Een aanhangwagen is geen motorvoertuig dus dezen zou buiten een vak mogen parkeren. Zolang artikel 5 niet van toepassing is natuurlijk.

    Mijn tweede vraag is

    Het bord E1 perkeerverbod geld ( heb ik gelezen alleen voor de rijbaan/rijstrook.) Dus in de berm mag bij dat bord nog gewoon geparkeerd worden. Nu staat er bij de uitleg van het RVV dat het bord alleen geld aan de zeide van de WEG waar het geplaatst is de berm hoort toch ook bij de weg? Maar niet bij de rijbaan.

    Met vriendelijke groeten,
    Jeroen

    1. Beste Jeroen,

      Je argumentatie binnen het erf klopt. Bedenk wel dat er ook niet voor een in- of uitrit (woningen) geparkeerd mag worden, waarbij dit niet alleen voor motorvoertuigen geldt (algemeen). Dit, in combinatie met het door jou al aangehaalde artikel 5, zal parkeren binnen een erf moeilijk maken.

      Verkeersbord E1 betekent: “parkeerverbod”. Het bord geldt inderdaad voor de zijde(n) van de weg waar het bord is geplaatst, over de rijbaan of rijstrook wordt verder niet gesproken. De berm behoort inderdaad tot de weg, hetgeen inhoudt dat daar dan ook niet geparkeerd mag worden.

      Mvg – Sjaak

  2. Dank voor deze heldere site over verkeersregeld, maar toch nog een paar vragen:

    Vraag:
    hoe zie ik het verschil tussen een busbaan en een busstrook? en klopt het dat ik naast een busstrook niet mag stoppen/parkeren en naast een busbaan wel?

    volgende vraag: op een autoweg geldt geen minimumsnelheid. maar ik mag alleen met een voertuig dat min. 50 m/uur kan/mag deze weg op. is de minimumsnelheid dan 50? (kwam namelijk als antwoord uit een oefentoets, en volgens mij klopt dit dus niet…)

    bij voorbaat dank voor het meedenken

    1. Beste Inge,

      Een busstrook is:
      Door doorgetrokken of onderbroken strepen gemarkeerd gedeelte van de rijbaan waarop het woord ‘BUS’ of ‘LIJNBUS’ is aangebracht. Stoppen/parkeren mag hier dus niet omdat je gevaar of hinder kunt veroorzaken.
      Een busbaan is:
      Rijbaan waarop het woord ‘BUS’ of ‘LIJNBUS’ is aangebracht. Jij rijdt dan op een andere/eigen rijbaan/rijstrook en kan de bus niet hinderen. In principe zou er dus gestopt/geparkeerd kunnen mogen worden.

      Het betekent dus dat een busstrook direct naast de rijstrook waarop jij je met je voertuig bevindt kan zijn gelegen, terwijl voor een busbaan een aparte/eigen rijbaan aangelegd is (b.v. op afstand van jouw rijbaan gescheiden met een groenstrook o.i.d.)

      50 km:
      Op een autoweg of autosnelweg (en overigens ook andere wegen) geldt géén minimumsnelheid. Dit zou ook niet logisch zijn, want dan zou je b.v. bij file-rijden minimaal 50 km.p/u moeten rijden !?
      De toegestane maximumsnelheid op een autoweg is 100 km. per uur en deze wegen mogen slechts bereden worden door bestuurders van motorvoertuigen die een maximumsnelheid van 50 km. per uur kunnen en mogen rijden. Door deze regeling sluit je automatisch alle voertuigen die hier niet mogen rijden uit (fiets, brommobiel, tractor enz.)

      Mvg – Sjaak

  3. Beste Attie,

    Achtereenvolgens geldt het volgende:

    Vraag 1:
    Jurisprudentie (rechtelijke uitspraak) op het begrip wegen maakt uit: “indien de middengeleiding breder is dan 15 meter, –of– de wegen gescheiden zijn door water zijn er twee verschillende wegen ontstaan”.

    Vraag 2:
    Haaientanden – die een zelfstandige betekenis hebben, maar meestal aangebracht worden met plaatsing van verkeersbord B6- betekenen:
    bestuurders verlenen voorrang aan bestuurders op de voor hen kruisende weg. De afslaande bestuurder is inderdaad geen kruisende bestuurder, dus gaat rechtdoorgaand verkeer op dezelfde weg vóór afslaand verkeer.

    Vraag 3:
    De in- of uitvoeger voert een bijzondere monoeuvre (zijdelingse verplaatsing) uit en moet al het overige verkeer voor laten gaan.

    Alle regelgeving wel met in het achterhoofd: “geef je verstand voorrang”

    Hoop dat het duidelijk is.

    Mvg – Sjaak

  4. hoi ik heb ook een vraag
    de weg is van sloot tot sloot maar als zich nog een sloot begeeft tussen de rijbaan en het fietspad dus
    sloot-berm-rijbaan-berm-sloot-fietspad-berm-sloot
    is dit 1weg of zijn dit twee wegen

    ik kom met mijn fiets op de fietsstrook op een rontonde aan met haaietanden voor mij (fietstrook) maar ik ga recht door de auto naast mij gaat rechtsaf wettelijk gezien gaat rechtdoorgaand verkeer op de zelfdeweg voor hoe zit dit dan

    hoe is het geregeld binnen de bebouwdekom met in en uitvoegen gaat invoegen voor of niet

    gr ah

  5. Beste Rito,

    Verkeersinzicht ontwikkel je vooral door ervaring en voldoende lesuren en het goed nadenken over het ‘waarom’ in bepaalde situaties. Voor al je handelingen binnen het verkeer is wel een reden. Meestal heeft dit te maken met veiligheid, sociaal verkeersgedrag, doorstroming en milieu.
    Hierbij is het natuurlijk wel belangrijk dat je tijdens de lessen steeds weer wordt gewezen op bepaalde situaties en dat je uitleg krijgt over het hoe en waarom in die situaties.

    Lees onderstaand artikel er even op na voor het begrip.
    http://www.autorij-instructie.nl/?p=25

    Mvg – Sjaak

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.